Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XXIV. DE ZOON DER WEDUWE TE NAlN.
113
ouderlingen van Kapernaüm Jezus ver-
stonden, blijkt hieruit, dat zij voor hun
vriend pleitten op grond van zijne liefde
voor «ons volk», om Jezus hiermede te
bewegen, als Hij soms ongeneigd mocht
zijn om te helpen. De genezing, welke op
een afstand volbracht werd, kan een gepast
zinnebeeld zijn van de prediking des Evan-
gelies aan hen, «die verre zijn» = de
wereld der Heidenen. De uitdrukking
«kinderen des koninklijks» op de Joden
toegepast zijnde, wordt door iMatth. XXI: 45
verklaard. «Zij waren kinderen van het
typische koninkrijk, de theocvAtleï).(Lange).
Het «koninkrijk» woidt in den Bijbel
dikwijls als een feestmaal beschreven; zie
Ps. XXII : 27—30: Jes. XXV : 6; Matth.
XXII : 1—13, XXVI : 29; Luk. XIV:
15—24; Openb. XIX : 9. Men moet er
niet rechtstreekshetdenkbeeld van «hemel»
aan vastknoopen; het koninkrijk is de
bedeeling des Evangelies; maar hiei-van
is de hemel de voltooiing, en de zegeningen
van het «koninkrijk» op aarde zijn slechts
een voorsmaak van wat zij in de toekomst
zullen zijn.
is Buitenste duisternis», enz. Verg. Ps.
CXH : 10; Jes. LXV : 14, LXVI : 24;
Matth. XIH: 42, 50, XXII: 13, XXIV: 51,
XXV : 10, 30; Luk. XIH : 21; Openb.
XXH : 15 («buiten»).
Les XXIV. — De zoon der weduwe te Naïn.
nDe doodeyi zullen hooren de stem des Zoons Gods».
Te lezen — Luk. VII : 11—16.
Te leeren — Jes. XXV : 8; Joh. V : 21, 25 (Ps. 146 : 1 en 7).
Voor den Onderwijzer.
Zelfs de minst ervaren onderwijzer zal het verhalende gedeelte dezer Les
gemakkelijk vinden. De meest ervarene zal gevoelen hoe moeilijk de toepassing
is. Er komt licht verwarring tusschen het denkbeeld van natuurlijken dood,
geestelijken dood en eeuwigen dood, en de leerlingen kunnen niet altijd het
onderscheid vatten, dat wij voor ons zeiven maken. Ofschoon zij alle in de
Schets voorkomen, doet de onderwijzer beter om niet te beproeven alles te
behandelen, maar een bepaald gedeelte uit te kiezen, en, wanneer hij dit
heeft vastgesteld, zich daar streng aan te houden. In de jongere klassen zal
het beter zijn de afdeeling over geestelijken dood weg te laten, en de eind-
paragraaf van de Les kan, geheel onafhankelijk daarvan, toch gevolgd worden.
— Maar het zwaartepunt van deze Les ligt niet in dezen of genen toestand
van den mensch, maar in het medelijden en de macht van Christus. Men zal
opmerken, dat dit niet altijd het geval is. De Heer was de hoofdpersoon in de
Les over «Een Sabbat te Kapernaüm», maar niet in die over de genezing
van den zoon des Hovelings, den Melaatsche, en den dienstknecht van den
Hoofdman.
In deze laatste werd de aandacht bepaald op den smeekeling. De onderwijzer
zal wèl doen, dit op te merken, daar hij zich in den loop en de toelichtingen
van zijn verhaal altijd moet richten op de hoofdtoepassing, welke zoo aanstonds
gegeven zal worden. Indien men bij deze Les wegens tijdsgebrek of eenige
andere reden geen woord van persoonlijke toepassing toe kan voegen, dan zal
8