Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
112
XXIll. DE ROMEINSCHE HOOFDMAN EN ZIJN KNECHT.
feestmaal toelaten — maar buiten dit kan
niets het ook doen. (Zie den tweeden tekst
om te leeren).
Kunnen wij ons het gelaat der ouder-
lingen niet voorstellen, toen zij dat hoorden?
Binnen of buiten — ivat zullen
wij zijn? Zegt gij: alk ga naar de kerk,
enz. — thuis en op school gedraag ik
mij tamelijk goed — God is zoo liefderijk —
alles zal wel in orde zijn»? Dat is niet
genoeg. De zonde — elke zonde — sluit
ons builen; maar Christus stierf om de
zonde weg te nemen, en de vraag, die
Hij stelt, is deze, of wij tot Hem gekomen
zijn, Hem als onzen Zaligmaker, Vriend,
Koning hebben aangenomen? Hem lief-
hebben? Op Hem vertrouwen? Of wij
geloof hebben? (Joh. III : 10, 36). Vele
jongens en meisjes, welke dachten, dat zij
zoo goed waren, zullen sommigen, die zij
minachtten, (armere kinderen dan zij —
of vreemden, enz.) aan het feestmaal van
Abraham zien, met den Koning zelf —
terwijl zij worden buiten gesloten!
Aanteekeningen.
1. Het is niet gemakkelijk om de afwij-
kingen in het verhaal van Mattheus en
Lukas van dit wonder met elkander in
overeenstemming te brengen. Lukas doet
het duidelijk voorkomen alsof de hoofdman
niet zelf naar Christus ging, ofschoon het
woord «Ga heen» bij Mattheus tot hem
persoonlijk gericht schijnt te zijn. Augus-
tinus antwoordde iemand, die op grond
van deze afwijkingen bezwaar had tegen
het verhaal: «Wijst onze menschelijke wijze
van spreken niet honderden zulke voor-
beelden aan ? Konden wij verwachten, dat
de Schrift anders met ons zoude spreken,
dan op onze gewone manier?» —
2. «Een hoofdman over honderd» was
in het Romeinsche leger een bevelhebber
van eene centuria, of compagnie voetvolk,
welke in aantal verschilde naar de grootte
van het legioen, waarvan de centuria het
zesde deel was.
3. « Hij heeft ons de synagoge ge-
bouwd — lettel^ : Hij zelf (d. w. z. op eigen
onkosten) heeft onze synagoge gebouwd,
d. i. de synagoge van Kapernaüm.
4. De dienstknecht wordt door Lukas
een slaaf (JotîAoç, doelos) genoemd. Mat-
theus noemt hem een jongen {'raelçpais) —
een woord, dat dikwijls in de beteekenis
van dienstknecht gebruikt wordt, evenals
puer in het Latijn, garçon in het Fransch.
5. « Want ik ben ook een mensch onder
de macht van anderen», enz. Schriftver-
klaarders hebben er veel over getwist, of
deze hoofdman dacht, dat de ziekten be-
hoorden tot de «heirscharen», die onder Je-
zus' bevel stonden, of de engelen, die de uit-
voerders Zijner macht zouden zijn, in het
uitdrijven van ziekten. Waarschijnlijk dacht
hij aan niets bepaalds, maar leidde slechts
een algemeen denkbeeld omtrent Jezus'
opperheerschappij af van het karakter
zijner eigene macht, die, ofschoon in zulk
een beperkten kring, volstrekt was. «De
Heer is voor hem de ware Ceasar en
Imperator, de hoogste Machthebbende over
de hierarchie niet van de aarde, maar van
den hemel (Col. l : 16)». «Hij zag het
ongeziene in het kleed der zienlijke dingen.
Gezondheid en ziekte, zorgen eu rust,
vreugde en smart, leven en dood stonden
vóór hem als één groot leger, en Hij, tot
wien hij sprak, was de Heer der Heir-
scharen. Zij bewogen zich op Zijn bevel» —
(J. Vaughan's Leerredenen),
6. a Hij verwonderde zich». Moeilijk als
deze uitdrukking is met betrekking tot
Christus, moeten wij haar eenvoudig aan-
nemen, evenals «Hij verheugde zich» of
«was bedroefd».
7. «Velen zullen komen van Oosten
en Westen, enz. Deze plechtige uitspraak
van Christus vormt eene merkwaardige
tegenstelling met de woorden van een
Rabbijn: — «In de toekomende wereld,
zegt God, zal ik eene groote tafel voor u
aanrichten, welke de Heidenen zullen zien
en verslagen zijn». Zoo ook maakten de
Schriftgeleerden, door hunne overlevering,
de beloften van het Oude Testament aan
de Heidenen «te niet». Zij waren genegen
om proselieten tot het Jodendom aan te
nemen; maar de toelating van Heidenen,
als zoodanig, tot het verbond, was eene
«geheimenis», welke het zelfs den apostelen
moeite kostte te gelooven. Hoe weinig de