Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
111 XXIll. DE ROMEINSCHE HOOFDMAN EN ZIJN KNECHT.

«Waarom zoude Hij komen? Is Zijn woord
niet voldoende, waar Hij zicli ook be-
vindt? Ik geef zelf bevelen — word
onmiddellijk gehoorzaamd — mijne sol-
daten en mijn slaaf gaan en komen zooals
ik het hun zeg. — Ik zelf gehoorzaam
ook den officier, die boven mij is gesteld
(«onrfer de machttt); en Hij staat aan
het hoofd van een geheel leger — niet
honderd mannen, maar tien duizend en-
gelen — alle dingen in den hemel en op
aarde — zeker zijn ook de ziekten onder
Zijne macht — kan Hij niet alleen hel
woord spreken, op welken afstand ook,
en de ziekte bevelen mijn armen slaaf te
verlaten?^ (Verg. Ps. CVII : 20 — «Hij
zond Zijn woord uit en heelde hemw).
Wat hij van Jezus dacht weten wij niet,
maar wij zien, dat hij met zijn geheele
hart geloofde :(1) in Zijne allesomvattende
liefde, welke zelfs tot den slaaf van een
Heidenschen krijgsknecht reikte —(2)tn
Zijn oppergezag, waaraan alle dingen
onderM'orpen worden. Wie was er onder
de Joden of de discipelen zelfs, die «zoo
groot een geloof» had? — neen, «zelfs
niet in Israël». Het is niet vreemd, dat
Jezus zich verwonderde.
ni. Hoe het «groote geloof»
beloond zoude worden.
Door het toestaan van het verzoek ?
Ja, maar door meer dan dit — zie op
welke wijze.
De ouderlingen dachten misschien, dat,
indien Jezus den slaaf genas, het zou zijn
omdat zy het gevraagd hadden (evenals
wanneer zij iets van den Romeinschen
Keizer verlangden, zij zouden trachten
iemand aan het hof te vinden, die het
voor hen vroeg). Jezus was rondgegaan
om het «koninkrijk» uit te roepen, dat
«nabij was gekomen» — welnu, of het
waar was of niet, hiervan waren zij ver-
zekerd : — Wanneer dat koninkrijk waarlijk
kwam, zoude het zijn voor Abraham en
zijne kinderen, voor hun volk — zij zouden
als de gasten aan een feestmaaltijd zijn
(Jes. XXV : 6); in aanzien en vroolijk-
heid — en de anderen, de «Heidensche
honden» in de duisternis daarbuiten; zij
zouden de gunstelingen zijn aan het hof,
ofschoon de Koning misschien, op hun
aandringen, eenige kruimels zou toestaan
aan een armen verworpeling, in wien zij
belang stelden.
Wat zegt Jezus ww"} {Lees Matth. VIII:
11, 12) {zie Aant. 7).
(a) Ja, het koninkrijk zal als een feest
zijn — rust, vroolijkheid, voorziening in
al hunne behoeften. Ja, Abraham zal daar
zijn — eene menigte gasten, ook —
maar wie? waar vandaan? — van waar
kwamen Israels vijanden, Babyloniërs uit
het Oosten, Romeinen uit het Westen.
Wanneer werden zij ingebracht? Wie
predikte in het Romeinsche rijk? ook wy,
i die in het Westen wonen — en Amerika,
I enz. En het Oosten — sommigen waren
I toen reeds gekomen (de wijzen) — ook nu,
! Hindoes, Chineezen, enz. Maar daar-
buiten? Ja, daar is «buitenste duisternis»
— wie zijn daar? Sommigen van diezelfde
kinderen van Abraham, wien God eerst
het koninkrijk gegeven had — die n« niet
met de Heidenen wilden eten — dan
niet zouden kunnen — stel u hun bittere
wanhoop voor — «hun tanden knersende»!
(&) Maar zouden al de Heidenen daar-
binnen, al de Joden buiten zijn? Waar
was het werkelijke verschil? — Wat zou
recht geven om binnen te treden? Dat-
gene, wat de hoofdman in zoo groote
mate bezat — Geloof. Maar welk geloof?
Hetzelfde als dat van den hoofdman —
geloof in Jezus zelf — in den verachten
Nazarener — in Zijne allesomvattende
liefde — in Zijne hoogste macht — dat
zou iedereen, Jood of Heiden, tot Gods