Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
110
XXIll. DE ROMEINSCHE HOOFDMAN EN ZIJN KNECHT.
moest het ongeloof, hoe groot het geloof
zijn, dat bij Jezus verwondering wekte!
(Lees de geschiedenis). «Groot geloof»
— zoo noemde Hij het. Merk hiervan drie
dingen op:
I. Waar het «groote geloof»
gevonden werd
Bij een geleerden Rabbijn, die de pro-
fetieën bestudeerd had, en dus Jezus als
den Messias herkende? Bij een strengen
Farizeër, met zijne geregelde gebeden,
aalmoezen, en zijn gedurig vasten? Zou
er niet zulk een «groot geloof» bij dezen
zijn
9 _
zij behoorden te weten — toch
wisten zij niet. Niet bij een Jood — bij
een Heiden — en dat wel een van de
gehate Romeinsche overwinnaars.
Drie ongewone dingen van hem ver-
meld —
(a) Zijn slaaf (zie Aant. 4) was hem
azeer xvaardn. Romeinsche meesters
waren dikwijls zeer wreed voor hunne
slaven — zij hadden ze met geld gekocht
of in den oorlog genomen — hun eigen-
dom — konden naar welgevallen met hen
handelen — zij dachten er nooit aan hen
lief te hebben. Deze hoofdman was dus
beter en vriendelijker dan de meeste
anderen.
{b) Ilij had de Jodeji lief. Be Romeinen
verachtten de Joden — hadden een afkeer
van hen, omdat zij zoo lastig waren, zich
niet rustig wilden onderwerpen evenals
andere overwonnen volken van het groote
rijk (zie Hand. V : 36, 37, XVI : 20,
XVIII :14-16). Wat kon dezen hoofdman
zoo geheel anders hebben gemaakt? —
hij moet het gevoel hebben gekregen, dat
de Joden den waren God kenden — mis-
schien was hij, evenals de andere hoofdman
Cornelius (Hand. X: 2) «godzalig», «vree-
zende God», «God geduriglijk biddende».
Wat had hij voor Kapernaüm gedaan?
vers 5 — die synagoge, waar Jezus zoo
dikwijls leerde, was zijne gift (zie Aant. 3).
(c) De Joden hadden hem lief — hem,
den bevelhebber der troepen, die hen in
onderwerping moesten houden! — wat
waren hunne ouderlingen bereid voor hem
te doen? — en zelfs nu de zieke slechts
zijn slaaf was.
Maar er was nog iets bij hem te vinden,
dat meer ongewoon was — het «groote
geloof:),waarover Jezus «zich verwonderde».
II. Hoe het «groote geloof» ge-
toond werd.
(1) Hier roept de voornaamste man van
Kapernaüm de hulp in van een armen
timmerman — een profeet, wel is waar,
maar zelfs door zijn eigen volk niet erkend.
Is het, omdat hij zoo voornaam is — denkt
hij, dat .lezus zelf Zijn best voor hem zal
doen? Vergelijk den Koninklijken Hoveling
(zie Les XVIII). Neen, juist het tegen-
deel. Hij acht zichzelf niet groot — «niet
waardig» — om Jezus in zijn huis te
ontvangen (vers 6) — zelfs niet waardig
om tot Hem te gaan (vers 7) — hij laat
het Joodsche ouderlingen in zijne plaats
doen. Waarom? Zeer waarschijnlijk had
hij in die synagoge Schriftgeleerden hooren
prediken — wist, dat zij een groot Koning
van den hemel verwachtten — maar dat
Hij de Koning der Joden zou zijn — de
Romeinen zou verdrijven — geen zege-
ningen voor hen (tenzij zij Joden werden).
Hij kon wel het gevoel hebben, dat hij
buiten het «koninkrijk» stond — dat het
niet zou helpen, indien hij een wonder
vroeg. En toch deed hij het.
(2) Wat baden de ouderlingen Jezus,
dat Hij doen zou, vers 3 («komen en
gezond maken»)? Evenals de hoveling,
van wien wij gelezen hebben (Joh. IV : 49),
dit ook vroeg. Maar zie de boodschap
van den hoofdman, wanneer hij hoort, dat
Jezus komt (vers 6—8). Wat wilde hij er
mee zeggen? (Zie Aant. 5). Hij denkt;