Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
108
XXIll. DE ROMEINSCHE HOOFDMAN EN ZIJN KNECHT.
(a) Er waren, en zijn nog verschillende
soorten van melaatschheid. De oude Griek-
sche geneesmeester Hippocrales noemt
drie soorten. De verschrikkelijke ziekte,
welke door hedendaagsche reizigers in het
Oosten beschreven wordt, schijnt veel erger
te zijn dan die, waartegen in Lev. XHI,
XIV eene wet wordt uitgevaardigd.
(b) Alle melaatschheid is overerfelijk.
Dr. Thom^^on beschrijft, hoe de ziekte zich
langzamerhand bij de kleine kinderen der
melaatschen vertoont.
(c) De verordeningen in Leviticus nemen
de mogelijkheid aan, dat een melaatsche
geneest; maar alle andere uitspraken aan-
gaande de ziekte stellen vast, dat deze
niet te genezen was door eene gewone
geneeskundige behandeling; en hiermede
stemmen berichten uit den nieuweren tijd
overeen, waarin beschreven wordt hoe zij
langzamerhand verergert, totdat het eene
lid na het andere afvalt, en het slacht-
offer op ellendige wijze omkomt.
(d) De melaatschheid van de Schrift was
niet (zooals dikwijls gedacht wordt) be-
smettelijk. De priesters raakten de melaat-
schen ongestraft aan in de uitoefening van
hun ambt (Lev. XIV); Gehazi kon, toen
hij melaatsch was, tot den Koning naderen
(2 Kon. VIII : 5); Naäman stond, toen
hij melaatsch was, aan het hoofd van het
Syrische leger. Lightfoot zegt, dat de me-
laatschen niet uit de synagogen gebannen
waren. De onderzoekingen der heden-
daagsche geneeskunde leiden tot dezelfde
uitkomst. Toch wordt de melaatschheid
zonder twijfel in het Oosten als besmet-
telijk gevreesd, en het is mogelijk, dat de
erge gevallen dit ook zijn.
(e) Indien de ziekte niet besmettelijk
was, waarom waren dan de Levitisclie
verordeningen omtrent melaatschheid zoo
streng? Het ware antwoord is dit: —
Daar de melaatschheid de ergste vorm
van ziekte was, bestemde God haar om
het bijzondere type van zonde te zijn, en
de verordeningen aangaande haar hadden
betrekking op haar typisch karakter. Zij
was vergezeld door de zinnebeelden van
den dood — de gescheurde kleederen, de
doek, welke de Uppen bedekte, het ge-
schoren en ontbloote hoofd (Lev. XHI: 45,
verg. met Num. VI: 9; Ezech. XXIV : 17),
zij ging gepaard met wettelijke onrein-
heid (zie Num. XIX : 13; Ezech. XLIV : 25);
de herstelling van den melaatsche had
met dezelfde plechtigheden plaats, als die
van een verontreinigde door aanraking
met de dooden. (Lev. XIV : 4—7, 49,
verg. met Num. XIX ; 6, 13, 18), en
David schijnt op deze te doelen, wanneer
hij zegt (Ps LI : 9): «Ontzondig mi]met
hysop; en ik zal rein zijn.» En de ver-
banning van den melaatsche buiten het
leger (Lev. XHI: 44—46; Num. V:1—3,
XII : 14, 15; 2 Kron. XXVI : 19—21)
was een treilend type van des zondaars
uitsluiting van Gods tegenwoordigheid;
vergelijk vooral Num. V : 3 met Joz.
VII: 12. Misschien werd ook om deze reden
de melaatschheid gezonden als een bij-
zonder oordeel voor de zonde van heilig-
schennis, zooals in het geval van Mirjam,
Gehazi en Uzzia. Deze meening wordt
bevestigd door het feit, dat, waar de Mo-
zaïsche wet niet werd in acht genomen,
er geene buitensluiting was; zooals bij
Naaman en Gehazi, {die'm hei noordelijke
koninkrijk woonde). De Schets toont aan
waarom de melaatschheid zoo bijzonder
geëigend was, om als het bijzondere type
der zonde te worden aangemerkt.
Vele uitleggers merken op, dat de me-
laatsche, door Jezus «Keer» te noemen,
geloof in Zijn Messiasschap uitdrukte. Of
dit geloof bestond of niet. het Grieksche
woord {Kvpts, kurie) is hetzelfde, dat door
de Samaritaansche vrouw gebruikt werd,
en zij wilde er niet meer mede te kennen
geven dan eerbied.
Les XXIII. — De Romeinsche hoofdman en zijn knecht,
«i/c heb zoo groot een geloof zelfs in Israel niet gevonden!»
Te lezen — Luk. VII : 1—10; (verg. Matth. VIII : 5—13).
Te leeren — Matth. VHI : 8-10; Rom. Hl : 29, 20. (Gez. 79 : 2; Ps. 119 : 17).
Voor den Onderwijzer.
Niets is van meer gewicht voor eene Les dan eene goede inleiding. Wanneer