Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
107 XXII. DE MELAATSCHE.

gaan? Kunnen allen niet zien, dat hij ge-
zond is? (a) Indien zij hem vrijstelling
geven, en het wonder dan bekend wordt,
welk eene getuigenis dan voor Jezus'
macht! — eene getuigenis tegen de onge-
loovige priesters zei ven. (b) De Wet moet
vervuld worden — kwam Jezus om haar
te ontbinden? Matth. V : 17.
III. De ziekte van den zondaar.
Waarom had God de melaatschen uit
Zijn heiligdom gebannen? Waarom werden
zij onrein, dood geacht? Waarom afge-
zonderd gehouden? (zie Aant.'i) (e). Om
den menschen van zonde te spreken. Zie
in de melaatschheid de ziekte der zonde —
haren aard — hare genezing.
(1) Haar aard. (a) Overerfelijk, Rom.
V : 12. Bij kinderen bijna even spoedig
merkbaar als de melaatschheid. Waarom
zijn kinderen ongehoorzaam, oneerlijk
(Ps. LVIII : 4), opvliegend? — de ziekte
der zonde komt tc voorschijn. (6) Heime-
lijk, listiglijk, overal doordringend — ver-
derft zij de geheele ziel (Jes. 1:6) — geene
gezondheid in ons. (c) Zij wordt erger —
brengt zij niet van de eene leugen tot
de andere (zooals bij Jakob)? Wordt de
ijdele en eigenzinnige knaap niet de onhan-
delbare man (zooals Absalom)? En hoe
snel verspreidt zich eene slechte gewoonte
op school! Pas op — «raak niet aan het-
geen onrein is» (2 Cor. VI: 17). (d) Door
de menschen niet te genezen. Zie de
ondervinding van Paulus, Rom. VII: 14—
24; verg. Jer. XIII : 23. De menschen
trachten uiterlijk goed te zijn; maar dit
is alsof de melaatsche zich verfde en schoon
aankleedde (zie Matth. XXIII : 27) — het
hart is verkeerd (Jer. XVII : 9; Mark.
VII : 21).
(2) Haar vloek. Het eerste, wat de zonde
Aanteekeningen.
1. Melaatschheid. Er zou veel over dit
onderwerp gezegd kunnen worden, maar
deed, was het verbannen van Adam en
Eva uit Gods gunst en tegenwoordigheid;
en zoo is het altijd, Jes. LIX : 2; Ps.
LXVI : 18. Dit vreesde David zoozeer,
Ps. LI : 11. Wat zegt Jesaja, dat wij allen
zijn, LXIV : 6? — en Paulus, wat wij
geacht worden, Ef. II : 1 ? En zoo ook
ten laatste, Openb. XXI : 27.
IV. De genezing van den zon-
daar.
Evenals de melaatsche, moet hij tot
Christus komen. Maar kan Hij de zonde
genezen, zooals Hij de melaatschheid genas
(Hebr. VH : 25, en 1ste tekst om te leeren)?
En wil Hij? Xoodigt Hij niet uit (^Matth.
XI : 28) en belooft Hij niet aan te zullen
nemen (Joh. VI : 37)? Maar hoe kan Hij
het doen? (a) Hij heeft onze zondige
natuur aangeraakt, Hij heeft ons vastge-
grepen, onze zonden op zich genomen,
Hebr. H : 14. (6) Hij heeft den vloek
gedragen. Gal. IH : 13. (c) Hij geeft den
Geest, die reinigen kan, en ons sterk en
gezond maakt, Rom. Vill : 3—9.
Wat komt hieruit voort? De vloek is
onmiddellijk weggenomen — nu is de toe-
gang tot God geopend — zij, die «verre»
waren, zijn nu «nabij» tekst om te
leeren). Maar de herstelling van de ziekte
zelve gaat langzaam en trapsgewijze —
zij is niet volkomen, dan daar, waar «geene
zonde meer is.»
Maar verbeeld u, dat de melaatsche niet
geweten had, dat hij melaatsch was; of
indien hij het wist, er onverschillig onder
was, niet gevoelde hoe anders hij was dan
andere menschen. Zou hij dan tot Christus
gekomen zijn? Dit is de reden, waarom
velen niet gereinigd worden; zie Openb.
III : 17. Is dit het geval met ons?
de volgende korte bijzonderheden zullen
voor deze aanteekeningen voldoende zijn: