Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
106
XXII. DE MELAATSCHE.
zijne huid, zijn bloed, zijn geheele lichaam.
Misschien is hij er mede geboren; zoo ja,
dan was hij nooit een vroolijk, gezond
kindje; maar bleek, akelig, lijkkleurig.
(Num. XII : 10; 2 Kon. V : 27). Of het
begon met een kleine witte plek — hoe
verschrikkelijk om die te zien! — geen
middel om de ziekte tegen te houden —
langzaam en heimelijk vergiftigde zij het
geheele lichaam — evenals een weinig
zuurdeesem het geheele deeg verzuurt.
Kan hij hoop voeden, dat hij weder ge-
nezen zal? Zelfs een slechte koning van
Israël wist, dat God alleen een melaatsche
kon genezen (2 Kon. V : 7). Het zal erger
en erger worden — hij zal zijn haar,
zijne voeten en handen verliezen — op
ellendige wijze sterven. Maar er is iets,
dat nog treuriger is.
{2) Haar vloek. Zoolang deze arme man
melaatsch was geweest, moest hij alleen
met melaatschen, zooals hij, wonen —
het was hem verboden met anderen te
zijn; wanneer iemand nabij kwam, moest
hij een vreeselijken kreet geven (Lev. XIII:
45) om hem te waarschuwen; hij werd
geacht dood te zijn; zijn hoofd moest kaal,
zijn gelaat ten halve bedekt, zijne kleeding
gescheurd zijn, evenals van iemand, die
rouw draagt (Lev. XIII : 45; verg. Num.
VI : 9; Ezech. XXIV : 17); door iedereen
vermeden en met afgrijzen aangezien;
kon nooit naar het Paaschfeest, enz. te
Jeruzalem, of naar den tempel gaan,
omdat hij «onrein» was (Lev. XIII : 46;
Num. V : 1—3). De Wet was ook zeer
streng; zelfs een profetes en een Koning
moesten zich onderwerpen, Num. XII: 14;
2 Kron. XXVI : 19—21.
II. De genezing van den me-
laatsche. {Lees den tekst).
Zelfs tot in de schuilhoeken der melaat-
schen dringt het gerucht door van al de
wonderbare dingen, die Jezus gedaan heeft;
kreupelen, blinden, koortslijders genezen,
zelfs bezetenen — «zou Hij ons niet ge-
nezen?» Misschien schudden sommigen
treurig het hoofd; maar één zal het be-
proeven — hij volgt Jezus op een afstand —
misschien hoort hij van verre de Berg-
rede — hoort gezegende woorden. « Bid,
en u zal gegeven worden» — gevoelt,
dat Hij niet is als de Schriftgeleerden,
Hij spreekt met gezag — gelooft, dat Hij
genezen kayi — maar zal Hij willen?
Zal Hij zich niet van den armen uit-
geworpene afwenden ? Eindelijk vat hij
moed om te beproeven. Zie hoe de me-
nigte met afgrijzen uiteenwijkt, wanneer
hij er zich een weg doorheen baant;
want ieder, die hem aanraakt, wordt «on-
rein» geacht. Wat zal Jezus doen? Zal
Hij er zich aan wagen? Zie, Hij treedt
naar voren — raakt den neergebogen
melaatsche aan! De reine en de onreine
in aanraking met elkander — de reine
niet besmet door den onreine, maar de
onreine gereinigd door den reine! De
melaatsche voelt de aanraking — hoort
zijne eigene woorden {«wilt», areinigen»)
als het ware naar hem teruggekaatst, en,
oogenblikkelijk voelt hij den gloed van
volmaakte gezondheid door zijn lichaam
stroomen — hij is van zijne melaatschheid
genezen!
Maar zie het bevel van Christus, vers
14 — waarom «niemand zeggen» ?.(a) De
menigte is reeds groot — als er meer
komen, zou er te groote opschudding zijn,
de oversten zouden tu«schenbeide komen.
{b) De melaatsche is nog niet in zijne
voorrechten hersteld, eerdat hij zich aan
den priester heeft vertoond, en deze hem
rein verklaart (Lev. XIV) — de vloek is
nog op hem ; indien de priesters hooren
hoe hij genezen werd, zullen zij misschien
weigeren hem van den vloek te ontdoen.
Maar waarom zou hij naar den priester