Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XX. AANHANGSEL OVER HET MEER VAN GENNESARET.
99
Hermon naar den voet van Hor loopt.
Door deze engte loopt de Jordaan, door
de «Wateren van Merom», door «het meer
van Gennesaret», tot aan de Doode Zee,
wier bedding bijna 3000 voet, wier opper-
vlakte 1400 voet bene-
den den spiegel der zee
iigt. Gennesaret is lang
zoo laag niet, maar ligt
toch 650 voet beneden
den spiegel der zee,
hetgeen een aanmerke-
lijke diepte wordt door
het heuvelachtige van
de landstreek aan de
beide zijden. Door hare
lage ligging is het kli-
maat er tropisch, maar
het water is zoet en
frisch. Evenals vele me-
ren is het aan plotse-
linge en zware stormen
onderhevig, welke ver-
oorzaakt worden door
den wind, die in de
kloven van de omrin-
gende bergen neer-
strijkt (zie Luk. YHI :
23) en het water doet
koken als in een ketel.
De afmetingen van
het meer zijn 12^2'Tiy'
tegen 6^/4 mijl op het
breedste gedeelte. De
diepte is nergens groo-
ter dan 200 voet, en
gewoonlijk bedraagt zij
van 80 tot 140 voet.
De grond van de oevers
is bijna overal week,
maar te Khan Minyeh,
Meydel en een paar
andere plaatsen rijzen
uit het vvater de rotsen
op, welke echter niet
zeer hoog zijn. Het
wordt zoo goed als ge-
heel door heuvels om-
ringd, behalve aan de
twee uiteinden, waar de
Jordaan het meer binnenkomt en verlaat,
en bij de vlakte van Gennesaret — eene
vlakte in den vorm van eene halve maan
op den westelijken oever, rondom welke
de heuvelen in een halven cirkel terug
wijken van Khan Minyeh tot Meydel.
De lang betwiste en moeilijke quaestie
aangaande de ligging van Kapernaüm,
Bethsaida en Chorazin kan hier niet be-
sproken worden. Gedurende eenigen tijd
waren de meeningen, wat Kapernaüm
betreft, gelijkelijk verdeeld tusschen Teil
Hum, in het Noordoosten, en Khan Minyeh.
Onlangs hebben de navorschingen van het
«Fonds tot het onderzoeken van Palestina»
ten gunste van Teil Hum beslist; maar Mac
Gregor, wiens lange en nauwkeurige onder-