Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
98
XX. AANHANGSEL OVER HET MEER VAN GENNESARET.
onchronologische rangschikking van Lukas
hiervan de reden zou kunnen zijn, bewijst
toch de vermelding van de groote schare,
die Jezus omringde, toen Hij bij de schepen
kwam, dat Hij reeds beroemd was, het-
geen de orde van het verhaal bevestigt.
(4) Indien deze wonderen plaats hadden
gehad, zoude Petrus reeds de bijzondere
weldaad van de genezing zijner vrouws
moeder hebben ontvangen, hetgeen het
gewicht van zijn gevoel van zonde in vers
8 nog zou verhoogen.
(5) In hel verhaal van Lukas roept
Christus de visschers niet, maar gebruikt
woorden, die veel grooter beteekenis heb-
ben, indien Hij het al gedaan had.
Op deze gronden hebben we in de Schets
aangenomen, dal de verhalen op verschil-
lende gebeurtenissen betrekking hebben.
Dit schijnt ook, als men de geschiedenis in
haar geheel beschouwt, geen onredelijke
opvatting; want het is onbetwistbaar, dat
Petrus en zijne vrienden trapsgewijze tot
hun groot werk werden voorbereid: —
(a) Zij komen tot Jezus als Zijne discipe-
len, in het dal van den Jordaan, Joh. I.
(b) Zij worden geroepen om Zijne metgezel-
len te zijn, Matth. IV, Mark. I. (c) Zij ver-
laten voor den tweeden keer en nu voor-
goed hun huis en bezittingen (altijd vol-
gens onze opvatting). Luk V. (d) Hunne
aanstelling tot het Apostelschap, Mark. III,
Luk. VI. (e) Hunne eerste zending, twee
aan twee, Matth. X, Mark. VI, Luk. IX.
(ƒ) Hunne vernieuwde opdracht na de
Opstanding, (g) Hun doop met den Hei-
ligen Geest, Hand. II.
4. Er wordt in de Evangeliën melding
gemaakt van vier manieren om te visschen:
(a) Met een angel, waarmee Petrus
den visch moest vangen, in welks mond
hij den belastingpenning zou vinden, Matth.
XVH : 27.
(h) Met een handnet ,
amphihlestron), van een rots of uit een boot
neergeworpen op den een of anderen visch,
welken een scherpe blik kan ontdekken. Dit
net wierpen Andreas en Petrus, toen zij het
eerst werden geroepen, Matth. IV; Mark. 1.
(c) Met een zahnet {ètKTUov, diktuon),
dat in het bijzonder gemaakt was voor
het visschen in diep water. Zulke netten
werden in het verhaal van Mattheus en
Markus «vermaakt», en «uitgespoeld» in
dat van Lukas.
(d) Met een sleepnet {crotyviv^y sagee^ieh)
van zeer grooten omvang, dat door ver-
scheidene mannen getrokken moest worden.
Dit is het net van de gelijkenis in Matth.
XIH.
5. Er worden in de Evangeliën twee
Grieksche woorden gebezigd om de vaar-
tuigen, op het meer gebruikt, aan te dui-
den, nl. 9rAo/öv {ploion) voor schip, nl.
het grootere vischvaartuig; en TrÄotdpiov
(^loiarion) voor boot. Het eerste wordt
in dit verhaal gebruikt; het tweede is het
«scheepje» van Markus Hl : 9 en Mark.
IV : 3ö. Het aanwenden van de twee
woorden in Joh. IV is zeer merkwaardig,
zooals naderhand uitgelegd zal worden.
G. «Van nu aan zult gij menschen
vangen». Julianus de Afvallige zeide spot-
tend, dat «de Galileër wel gelijk had om
Zijne apostelen visschers te noemen, omdat
evenals de visscher zijne slachtoiTers uit
het water haalt, waar zij vrij en gelukkig
zijn, en ze brengt in een element, waarin
ze niet kunnen ademhalen, zij evenzoo
deden, wanneer zij de menschen tot Chris-
tenen maakten.» Trench merkt aan, dat
het bijzonder gelukkig gekozen woord van
den Heer dit denkbeeld buitensluit en voor-
komt. Het beteekent «levend gevangen-
nemen » en wordt in de Septuagint ge-
bruikt, waar levend gevangennemen
voorkomt met betrekking tot krijgsge-
vangenen.
AANHANGSEL VL — HET MEER VAN GENNESARET.
Deze kleine binnenzee komt in den Bijbel
onder vier namen voor. In het O. Tes-
tament wordt zij de Zee Cinnereth
(Num. XXXIV :il; Joz. XH:3) genoemd,
zooals sommigen denken om haar harp-
achtigen vorm. De Evangelisten noemen
haar gewoonlijk de Zee van Galilea. Lukas
(V : 1) geeft haar eens den naam van
Meer van Gennesaret, naar eene vlakke
streek op de westkust. Johannes, die veel
later schrijft, toen Tiberias de belangrijkste
stad op hare oevers was geworden, spreekt
(VI : 1) van de Zee van Tiberias. Zij wordt
nu naar dezen laatsten naam genoemd,
in het Arabisch Bahr Tubariyeh.
Zij ligt in de diepe bergengte of rots-
spleet, — de diepste op de oppervlakte der
aarde — welke van den voet van den