Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XX. DE ROEPING DER VISSCHERS.
97
Joh. XXI : 6. Daarna ontkomen zij twee
keer aan het gevaar om de geheele vangst
te verliezen — eerst scheurt het net, dan
zinkt de boot; maar de macht, "welke gaf,
kan ook behouden.
Wat doen Andreas en de anderen? Maar
Petrus ligt op de knieën — de macht en
liefde van Christus hebben zijn hart gebro-
ken — hij zou nu alles voor Hem willen
doen — maar zijne onwaardigheid over-
stelpt hem — hoe kan hij ooit geschikt
wezen om met zulk een Meester te zijn,
altijd een « visscher van menschen » ? —
het is beter, dat Jezus wegga en hem
alleen late. (Verg. Gen. XXVHI:'17; Exod.
XX : 2-2; Job XLII : 5, 6; Jes. IV : 5).
Zie het antwoord van den Heer — eene
bestraffing? Zelfs ditmaal geen bevel —
eene belofte. Juist door zijne zelfvernede-
ring is Petrus geschikt voor het werk
(Ps. LI : 19; Jes. LVH : 15, LXVI : 2).
En nu een groot besluit: hier ligt de
menigte visschen, welke groote winst be-
looft — daar staat de roepende Heiland;
aan den eenen kant hun tehuis — aan
den anderen kant een leven van zelfver-
loochening. Wat zal het zijn?
Betreuren zij nu hunne keus?
Zij werden geroepen — zoo ook
wij.
(a) Wat moeten wij verlaten? Alles wat
ons van Christus afhoudt — zonde na-
tuurlijk. Elke goede zaak, om welke wij
meer geven dan om Christus (zie Matth.
X : 37, XIX : 22; Luk. XIV : 18-20;
2 Tim. m : 4.
(b) Wat moeten wij doen? «Christus
volgen» — d. i. Hem liefhebben, ver-
trouwen , gehoorzamen, navolgen.
Zij gehoorzaamden — aarzelen
wij ? Bedenkt wie ons roept — wat Hij
voor ons gedaan heeft, 2 Cor. V : 14,15.
Denkt aan het einde, Mozes deed dit,
Hebr. XI : 26 — Paulus ook, Fil. IH: 7,
14 — Jezus zelf dacht er aan, Hebr. XII: 2.
Ziet wat het is. Joh. XII : 26.
Aanteekeningen.
1. Over het algemeene tooneel van Jezus'
werkzaamheid in Galilea en het meer van
Gennesaret, zie Aanhangsel VI, blz. 89.
2. De profetie van Jesaja IX, door
Mattheus aangehaald, wordt door de kun-
digste vertalers aldus weergegeven: —
Zooals de vroegere tijd het land van Zebulon
en het land van Naphthali versmaadde,
zoo eert de latere tijd den weg van de
zee, voorbij den Jordaan, het «Galilea der
Heidenen». Het grootste gedeelte van Gali-
lea lag in het gebied van Zebulon en
Naphthali, «de weg van de zee a beteekent
de oevers van het meer; «voorbij den
Jordaan» verwijst waarschijnlijk naar het
land ten oosten van het meer, dat tot
Manasse behoort; en het «Galilea der
Heidenen» naar het uiterste noorden van
Palestina. Deze streken hadden het eerst
en het meest te lijden van de invallen der
Assyriérs, onder welke omstandigheid de
profetie uitgesproken werd; en zij werden
bijzonder bevoorrecht, daar zij het tooneel
van Jezus' grootste werkzaamheid werden.
3. Er is veel over getwist of het verhaal
van de Roeping in Matth. IV en Mark. I
op dezelfde gebeurtenis beirekking heeft
als het verhaal van Luk. V. Zij kunnen
zeer goed met elkander in overeenstem-
ming gebracht worden; maar er bestaat
geene reden waarom men ze niet afzon-
derlijk zou nemen, en de punten van ver-
schil zijn duidelijk genoeg aangegeven,
om het te rechtvaardigen, dat wij de twee
verhalen van elkander onderscheiden.
(1) Het verhaal van Mattheus en Markus
is begrijpelijker, wanneer men aanneemt,
dat het wonder niet gebeurd is bij de
gelegenheid, waarvan zij spreken.
(2) De bezigheid van Petrus en Andreas,
toen Jezus hen naderde, is niet dezelfde
in de twee gevallen; en de verschillende
woorden in het Grieksch voor « netten »
toont dit nog duidelijker aan (zie volgende
Aanteekening).
(3) De Roeping bij Markus is de aller-
eerste gebeurtenis van het verblijf in Galilea,
en bepaaldelijk komt zij vóór zekere won-
deren te Kapernaüm, die bij Lukas aan
de Roeping voorafgaan; en ofschoon de
7