Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
96
XX. DE ROEPING DER VISSCHERS.
den Doopei% gingen de jonge lieden hem
hooren; wat gebeurde hun toen? Wien
leerden zij ook kennen ? Zie Joh. I : 35—42
(Verwijs naar Les XIII, XIV). Zij ge-
loofden, dat zij den Messias hadden gevon-
den, van wien zij in de Schrift gelezen,
in de synagoge gehoord hadden — waren
met Hem te Jeruzalem, Samarië, Kana
geweest — hadden Zijne wonderen gezien,
Zijn woorden gehoord — Hij had toege-
laten, dat zij voor Hem doopten evenals
Johannes.
Maar zij waren weder te huis gekomen,
leefden zooals te voren van de vischvangst.
Nu hooren zij een treurig nieuws —hun
vroegere leeraar Johannes is in de gevan-
genis gezet door Herodes (Matth. IV : 12),
en van Jezus zien zij niets — is het alles
een droom? — is «het Koninkrijk» dus
toch niet gekomen?
III. De eerste roeping (Lees Matth.
IV ; 18—22).
Op een zekeren dag staan zij allen aan
den oever van het meer; twee van hen
(welke?) werpen een klein net uit, om de
visch te vangen, die dicht onder de rotsen
zwemt; drie andere (welke?) zitten in de
boot hunne grootere netten te vermaken
{Zie Aant. 4).
Wie komt daar voorbij? van waar is
Hij gekomen? om wat te óoen"! (Herhaal).
Hij is ook aan het visschen — om wie te
vangen? De menschen, die in deze be-
drijvige Galileesche steden wonen, zijn als
de visch in het meer — verzonken in
duisternis (vers 16) en zonde; Hij wilde
ze « vangen» — niet dooden, zooals bij
het werkelijke visschen, maar hun nieuw
leven geven (Zie Aant. 6). Hij zoekt hel-
pers voor dit werk — zal Hij geleerde
Rabbi's of Schriftgeleerden roepen, die
gewoon zijn te onderwijzen? Neen; Hij
zal deze visschers roepen — eenvoudige
menschen, wel is waar, maar die werk-
! zaam, ijverig, geduldig hun eigen werk
volbrengen, en Hij zal hun evenzoo voor
zich doen arbeiden (Zie 2 Cor. XII : 16).
Zullen zij gehoor geven aan deze roe-
ping? Zij komt niet van een vreemdeling;
I zij eeren Hem reeds en hebben Hem lief
j (herhaal). Terstond — met vreugde —
; volgen zij Hem.
IV. De tweede roeping (Lees Lm/c.
, V : 1—11. Zie Aant 3).
Jezus heeft Zijn arbeid begonnen aan de
druk bezochte oevers van het meer van
, Gennesaret — leert in de synagogen —
: geneest kranken (hierover aanstaanden
I Zondag) — groote scharen volgen Hem.
j Waar zijn die vier, welke hunne netten
j verlaten hebben? Zij zijn weder aan het
j visschen gegaan — hebben niet begrepen
t dat zij dit geheel en al moeten verlaten —
Jezus moet hen nog eens roepen — zie,
hoe Hij dit doen zal.
Een geheelen nacht hebben zij zich af-
• gelobd, maar geen visch — des morgens
worden de schepen op den oever gehaald —
wat doen Simeon en de anderen? Eene
schare komt af van Kapernaüm, dringt
I zich om den nieuwen profeet heen — waar
vindt Hij eene toevlucht? Hij predikt —
! van welken kansel?
' Zie nu hoe zij afsteken en naar dieper
I water zeilen — de netten klaar maken —
' het is vreemd — indien zij des nachts
niet vingen (wanneer de meeste visch
I gevangen wordti, hoe verwachten zij dan
: bij dag beter te slagen ? « Op Uw woord» —
maar waarom luisteren zij naar iemand,
I die altijd op het land heeft geleefd ? Waar
' hebben zij de macht van «Zijn woord »
leeren kennen?
Het net wordt neêrgelaten — plotseling
een hevige ruk — wat moeten zij gevoeld
hebben? Hoe kwam de visch daar*^ Zie
Ps. VHI : 6—9 (verg. met Hebr. II: 6—9);
1 zoo ook Jona 1:17, II: 10; .Matth. XVII: 27;