Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
94
XX. DE ROEPING DER VISSCHERS.
-digde in den tijd van een Paaschfeest,
4. i. Maart of April, dat de Heer niet bij-
woonde (Joh. VI : 4). Velen rekenen van
•dat Paaschfeest terug tot een Deceinber-
4naand, welke zij ineenen dat in Joh. IV:
35 aangeduid wordt (welke aanwijzing
echter niet betrouwbaar is); en of er nu
een tijd van vier maanden, of een jaar
•en vier maanden tusschen lag, hangt af
■van de vraag of het «feest» van Joh.
V : 1 een Paaschfeest was of niet. Behalve
dit, is de eenige tijdsaanwijzing nog de
bijzondere uitdrukking in Luk. VI: 1, waar-
van de beteekenis twijfelachtig is, zelfs
-al is de lezing juist — hetgeen op zich
zelf reeds twijfelachtig is. Hoe nauwkeu-
riger wij het geheele onderwerp bestu-
deeren, des te vaster zal de overtuiging
in ons worden, dat noch de Evangelisten
noch de Geest van God die hen bezielde,
een juist, chronologisch register van de
woorden en daden van Christus na wilden
laten, en dat elke poging om er een
samen te stellen, min of meer moet falen.
Bovendien zijn de algemeene omtrekken
van de achtereenvolgende tijdperken van
Zijn openbaar leven duidelijk genoeg, om
tot elk soort van geestelijk voedsel te kun-
nen dienen.
Les XX. — De roeping der Visschers.
«Zie.' luij hebben alles verlaten en zijn V gevolgd.»
Te lezen — Matth. IV : 12—22; Luk. V : 1—10.
Te leeren — Matth. X : 37, 38; Phil. III : 7, 8 (Gez. 21 : 2, 3).
Voor den Onderwijzer.
Het was oorspronkelijk de bedoeling, maar het bleek onmogelijk te zijn,
•om in deze reeks nog een Les te voegen over het onderwerp van Jezus'
prediking in Galilea in het algemeen, waarin eene beschrijving van het land
en het karakter der bevolking gegeven had kunnen worden, met eene toe-
passing, aan de profetie van Jesaja (IX : 1, 2) ontleend en door Matth.
•{W: 14—16) aangehaald. De onderwijzer zal echter wel doen, indien hij
tracht geheel op de hoogte te komen van een landstreek en een volk, welke zoo
nauw verbonden zijn met de belangrijkste woorden en werken van onzen Heer
{Zie over deze onderwerpen Aanhangsel IV, blz. 89 en F, blz, 90). Indien
hij, met behulp van de daar gegeven, korte inlichtingen, hieraan een morgen
kan wijden, zal hij ruimschoots beloond worden door de meerdere belangrijk-
heid, welke de daaropvolgende lessen verkrijgen. Voor het geval dat dit
onmogelijk is, worden er in de Schets van deze Les eenige lijnen getrokken
van eene korte beschrijving van het meer en zijne omstreken; en als men
een kaart heeft, late men die vooral aan de kinderen zien.
Het verhaal van de «Eerste roeping» kan bij gebrek aan tijd (of indien de
onderwijzer, niettegenstaande Aant. 3, van meening is dat er slechts ééne
Roeping plaats had) weggelaten worden. Maar de toespeling op Jezus' ccvis-
schersweik» mag niet overgeslagen worden, en kan even goed onder de
■vierde hoofdafdeeling komen.