Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
90
XIX. AANHÄNGSEL OVER JEZUS ARBEID IN GALILEA.
is waar, eerder bij Jezus, aan de oevers j
van den Jordaan — Andreas, Philippus, enz., i
maar zij waren Galileérs, en hadden nog
niet «alles verlaten, om Christus te volgen», i
totdat Hij naar Galilea ging. Dit «alles
verlaten en volgen van Christus» was
voor de nieuwe bedeeling, wat het verlaten
van Mesopotamia voor Abraham, en het gaan
«niet wetende, waar hij komen zou» voor
de oude bedeeling was. Zoowel de Joodsche
als de Christeliike Kerk begon met het
gehoorzamen aan eene Goddelijke roep-
stem, het gelooven aan een Goddelijke
belofte.
Maar waarom werd Galilea, en voorna-
melijk het gedeelte, dat aan het meer
grensde, als het tooneel van Zijn bijzon-
deren arbeid gekozen? Omdat het naast
.leruzalem — in sommige opzichten meer
dan Jeruzalem — het middenpunt van het
leven en de bedrijvigheid van Palestina
in dat tijdperk was, en tegelijkertijd was
het volk er veel minder hoogmoedig en
bevooroordeeld. Het wordt het «Galilea
der Heidenen» genoemd, niet omdat de
massa der inwoners geen Joden waren,
maar omdat zich veel vreemdelingen met
de bevolking vermengd hadden; het gevolg
daarvan was, dat ook de Joden in die
streken vatbaarder waren voor nieuwe
indrukken, en hun landgenooten uit Judea,
die hen overal aan hun provinciaal accent
konden herkennen (Mark. XIV: 70; Hand.
II : 7), laag op hen neêrzagen.
Het is merkwaardig, dat dit district in
het Oude Testament nauwelijks vermeld
wordt. Onder de Grieksche koningen van
Syrié, en naderhand onder de Romeinen,
kreeg het beteekenis. De groote Romein-
sche weg van Ptolemaïs (Akko) liep dwars
door de provincie naar het westen, door
de toenmalige hoofdstad Sephoris (vier
mijlen ten noorden van Nazareth), dan
steil afdalende tot aan de oevers van hek
meer, dan noordelijk door Kapernaüm,
over den Jordaan, waartoe een brug vlak bo-
ven het meer {rebouwd was, en zoo door tot
Damaskus. Dit verklaart de belangrijk-
heid van Kapernaüm, dat met zijne nabu-
rige steden en dorpen een groot midden-
punt van verkeer en vooruitgang was, en
den ouden roem van Hebron en Sichem
te niet maakte. Verscheidene der grootste
steden waren bijna geheel Grieksch —
Sephoris, Tiberias, Gadara, Hippos, enz.
Het is een treilend feit, dat er geen mel-
ding gemaakt wordt van een enkel bezoek
van Jezus aan deze steden. Ofschoon hij
de «profeet van Galilea» was, was Hij «niet
gezonden dan tot de verloren schapen van
het huis van Israël».
.Maar Jeruzalem was nog niet opgegeven.
Nog eens en nog eens «ging» Jezus daar-
heen «op», om met machtige daden en
woorden het verdoolde volk te nooden tot
Hem te komen. Maar zij wilden niets van
Hem weten. Geen nieuw en veelomvattend
koninkrijk van geloovigen, maar de her-
stelling van hun eigen, aan hen alleen
toekomende voorrechten, dat was het wat
zij verlangden. Dikwijls, «hoe menigmaal»
had Hij hen «bijeen willen vergaderen »,
maar zij « wilden niet». En zoo kwam
eindelijk de verwoesting van hunne stad
en hun Tempel, zooals Hij voorspeld had.
En Johannes, wanneer hij na deze schrik-
kelijke gebeurtenis schrijft, zorgt er voor,
om in zijn Evangelie de herhaalde, maar
verworpen noodigingen van den Heer te
vermelden.
AANHANGSEL V. — OVER DE TIJDREKENING VAN DEN ARBEID IN GALILEA.
Het doel van deze aanteekeningen is,
de volgorde der gebeurtenissen van des
Heeren optreden in Galilea, zooals die in
deze Lessen is aangenomen, te verklaren.
Ten gevolge van het groote verschil in
rangschikking van de drie eerste Evan-
geliën (Johannes staat bijna niet stil bij
dit tijdperk) is het onmogelijk, de gebeur-
tenissen naar tijdsorde te plaatsen, zonder
in vele gevallen bij den eenen of den
anderen Evangelist de opeenvolging zijner
verhalen geheel te veranderen; en over
de vraag hoe dit het best te doen, heerscht
een groot verschil van meening. De schrijver
dezer Lessen heeft zich verscheidene jaren
met dit onderwerp bezig gehouden, en
dan eens naar deze, dan weder naar een
andere opvatting overgeheld. Maar terwijl
hij ten volle erkent, dat sommigen groot
vernuft aan den dag hebben gelegd in
hunne pogingen om elke gebeu rtenis in hare
eigene plaats te passen, en zelfs dendas/
der maand te bepalen waarop zij voorviel,
is hij tot het besluit gekomen, dat er niet
genoeg gegevens zijn om eene chronolo-
gische tabel van den arbeid des Heeren