Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIX. AANHANGSEL OVER JEZCS ARBEID IN GALILEA.
89
ven» beteekent hier niet: «Predik voor
u zeiven, eer dat gij voor ons predikt»,
maar: Gij, een Nazarener, moet de zieken
van Nazareth eerst genezen, daarna de
andere.
5. « Elias » en « Sarepta » komen over-
een met «Elia» en «Zarfath» in het Oude
Testament. Zij zijn de Grieksche vormen.
Sarepta wordt nu Surafend genoemd.
6. Een steile heuvel, twee mijlen van
het nieuwe Nazareth verwijderd, is volgens
de overlevering de plaats, waar de aanslag
op het leven van den Heer gedaan werd,
en heet nu: de Heuvel der Neérstorting.
Het is echter niet de ware plaats. Tegen-
over de stad is een kleinere heuvel, veertig
voet hoog, waarop sporen zijn van vroegere
gebouwen. Het kan zijn, dat hier een ge-
deelte van het oude dorp gestaan heeft,
en zeker is hel, dat hier de synagoge
geweest is (zie vroeger, Aant. 2). Indien
dit zoo was, behoefde Jezus slechts eenige
ellen ver voortgesleept te worden naar den
rand des afgronds. De hoogte was mis-
schien veel grooter, daar de grond daar-
onder aanzienlijk gerezen is door het af-
brokkelen van de rots en de opeenhooping
van puin.
7. De juiste wijze, waarop de Heer aan
de menigte ontkwam, is onzeker. Misschien
heeft Hij zich zeiven onzichtbaar gemaakt,
of hen door een enkelen blik, zooals te
Gethsemané, Joh. XVIII : 6, doen ont-
stellen.
AAXHANGSEL IV. — JEZUS' ARBEID IX GALILEA.
Indien wij alleen de Evangeliën van
Mattheus, Markus en Lukas hadden, zouden
wij denken, dat de openlijke arbeid van
den Heer zich bijna uitsluitend tot Galilea
beperkt had. Het mondeling onderwijs, door
de Apostelen in een vaste volgorde aan
de eerste Kerk gegeven — aan welk onder-
wijs de drie Evangeliën waarschijnlijk in
hoofdzaak ontleend zijn — heeft zich
voornamelijk bepaald tot eene keuze uit
de werken en de prediking van Christus
in Galilea en eene uitvoerige beschrijving
van Zijnen dood, met bijkomende omstan-
digheden. De in het oog loopende reden
hiervan is, dat de meesten zijner disci-
pelen zich bij Hem voegden, toen Hij Zijne
prediking in Galilea begon, en dus van
zelf de dingen, die zij gezien en gehoord
hadden, verhaalden; ofschoon er, daar zij
door Goddelijke ingeving geleid werden ,
ongetwijfeld nog andere en verhevener
redenen zijn, welke hier niet besproken
kunnen worden.
Volgens het Evangelie van Johannes was
er echter een belangrijk tijdperk, waarin
de Heer in Judea en het dal van den Jordaan
arbeidde eerdat Hij in Galilea kwam,
{Zie Aanhangsel III en Les XVII, Aant A).
Dit doet de vraag opkomen, in welke
betrekking de arbeid in Galilea stond tot
dien in Judea. Waarom verwijderde Jezus
zich van de hoofdstad en haren omtrek, en
trok Hij zich terug naar het land, om
daar als het ware opnieuw te beginnen ?
Waarom bracht Hij daar hef grootste
gedeelte van Zijn tijd door: oefende däär
het meest Zijne wondermacht uit, trok van
' d;(;'ir Zijne vertrouwdste discipelen tot zich ?
Het antwoord schijnt, in het kort, dit
te zijn: Het was noodig, dat de Messias
voorgesteld werd aan het .loodsche volk
' en allereerst aan hen, die het als het
ware, in Zijne waardigheid als uitverkoren
volk van God, vertegenwoordigden. Te dien
einde wees Johannes de Dooper Hem
aan het gezantschap van afgevaardigden
van het Sanhedrin (Joh. 1 : 19—34;
zie Les XIII, Aant. 3); te dien einde
verscheen Jezus in de hoofdstad, vervulde
eene Messiaansche profetie, en sprak van
God als Ziinen Vader (Joh. H : -13-22):
te dien einde bleef Hij in Judea, zoo-
lang Johannes van Hem bleef getuigen,
zoodoende aan de oversten eene gele-
genheid gevende om Hem te erkennen,
indien zij wilden (.loh. IH : 26—36; zie
Les XVII, Aant. 1). Hunne onverschillig-
heid en hunne vooroordeelen waren echter
te grcot; de Messias werd verworpen.
Toen, en niet eerder, begon de voornaamste
arbeid van des Heeren openbare bediening.
Deze bestond hierin, dat Hij een nieuw
uitverkoren volk tot zich vergaderde, een
nieuwe Kerk, welke de oude zou ver-
vangen. ïïHet Koninkrijk Gods zou weg-
genomen worden van de Joden» — (niet
van elk afzonderlijk, want sommigen
zouden het hebben, maar van het volk in
zijn geheel) — «en gegeven aaneen volk» —
(niet de Heidenen als zoodanig, maar de
Kerk, overal waar zij bestond) — «dat
de vruchten daarvan voortbracht». Dit
werk werd voornamelijk in Galilea ge-
daan. Eenige menschen voegden zich, wel