Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XIX, DE VERWERPING TE NAZARETH.
87
23)? Wat had God vroeger gedaan. Ver- |
teerde het meel in de kruik in de dagen ;
van Elia ook niet in de huizen der He- i
breërs? Genas Elia Israelitiesche melaat- |
schen? Indien zij de «blijde boodschap» :
niet aan willen nemen, kan God haar aan
de tollenaars en visschers van Kapernaüm >
zenden — Hij kan haar zelfs aan Heidenen ;
doen brengen — (verg. Hand. Xlll : 46,
XVIII : 6, XXVHI : 28).
Dit doet hen in woede ontsteken. «Ver-
gelijkt déze timmerman zich met Elia?
Durft Hij te zeggen, dat de belofte Israels
naar de Heidenen — de honden — de
onbesnedenen — zal gaan?»> Verg. de beroe-
ring, door soortgelijke woorden van Paulus
teweeggebracht, Hand. XXH : 22, 23.
Ziet — op den Sabbath — in het huis
des gebeds — springt de geheele verga-
dering op, grijpt den zachtmoedigen Jezus,
sleept Hem naar buiten, rent naar den
top des bergs, om Hem naar beneden te
storten. Eensklaps — is Hij weg! waar? |
Niemand kan het zeggen! Zij hebben óus \
toch een wonder gezien, maar het heeft j
hen van hun Zaligmaker gescheiden.
Wie onzer gelijkt op deze Na- |
zareners ? i
1. Allen zijn wij in één opzicht aan
hen gelijk. Dezelfde Zaligmaker komt-tot
ons, hetzelfde Evangelie verkondigende.
Maar hebben wij er behoefte aan? Zijn
wij arm ? Misschien hebben wij niets;
Salomo zal ons zeggen op welke wijze;
Spr. XIH : 7 (verg. Openb. IH : 17). Zijn
wij gebroken van /laWe? Wij moesten het :
zijn om onze zonde; zie wat David zegt:
Ps. LI : 19. Zijn wij Wijid? Petrus (2 Petr.
4 : 9) of Johannes (1 Joh. H : 11) zal
ons leeren, hoe dit zou kunnen zijn. Zijn i
wij gevangen of verslage^i door wreede
vijanden? Paulus kan ons helpen hierop ;
te antwoorden, zie Rom. VH : 23, 24;
2 Tim. II : 26. Is een dezer teksten een
spiegel, waarin wij ons zelf zien? Zoo ja,
dan komt Jezus tot ons, om rijk te maken,
Spr. VIII : 18, 19; om te troosten, Joh.
XIV : 18, 27; om de oogen te openen,
Hand. XXVI : 18; om vrij te maken, Rom.
VI : 14, VII ; 25; om alle dingen voor
ons te doen, Phil. IV ; 19.
2. Sommigen van ons gelijken in een
ander opzicht op hen. Zij verwierpen
Jezus; hoe velen doen het nu! Maar zegt
gij, wij zouden zoo niet gedaan hebben
zooals zij. Zijt gij er zeker van? Weinig
dachten zij dien morgen, wat zij vóór den
nacht zouden doen. Maar gij kunt Jezus
verwerpen zonder zoo ver te gaan. Als
gij u niet om Hem bekommert, dan ver-
werpt gij Hem {Voorbeeld — Ik bied
u geld aan — gij steekt eenvoudig uwe
hand niet uit om het te ontvangen —
is dit niet verwerpen?).
3. In nog een opzicht zijn wij hun
gelijk. Wat deed hen Jezus verwerpen?
Was het niet, dat zij Hem zoo goed ken-
den, Zijn gezicht en Zijne stem zoo ge-
meenzaam voor hen waren? En gij weet
alles van Hem af — hebt het dikwijls
gehoord — het Evangelie is niets nieuws
voor u — geeft gij er daarom niet om?
{Voorbeeld — de zonneschijn, werking
van het hart bij het ademhalen, enz. zulke
gewone weldaden niet gewaardeerd).
Negers en wilden, niet gekleed en onder-
wezen zooals gij — op wie gij neèr zoudt
zien — zij nemen Gods beloften dikwijls
aan — en zij zullen in den hemel zijn,
wanneer sommige beschaafde Hollandsche
jongens en meisjes «uitgeworpen» worden.
Maar nu kan komen — het aangename
jaar des Heeren» (verg. 2 Cor. VI: 2) —
nu kan het zijn dat men «geenszins uitge-
worpen» wordt (.loh VI : 37).