Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
105
XVIII. DE KONINKLIJKE HOVELING VAN KAPERN AUM.
aangegeven. (2) Elk had eene bijzondere
bedoeling en uitkomst in de versterking
van het zwakke geloof Czie voorafgaande
aanteekening).
AANHANGSEL IH. — JEZUS' HEIZEN NAAR GALILEA.
De schriftuitleggers nemen gewoonlijk '
aan, dat de reis naar Galilea, in Joh. IV ver-
meld, dezelfde is als die welke de andere j
evangelisten verhalen. Nieuwere schrijvers
betwijfelen dit, en zooals het schijnt, op
goede gronden. Want Mattheus en Markus
geven de gevangenneming van den Dooper
aan als de oorzaak van deze reis; terwijl
Johannes (vers 1) een geheel andere reden
opgeeft, en bovendien uit Zijne woorden
blijkt, dat de Dooper nog in vrijheid was
(het Grieksch luidt: — «Dat Jezus meer
discipelen maakt en doopt dan door Johan-
nes gedaan wordt» — hetgeen doet voor
onderstellen, dat Johannes nog bezig was
met doopen).
Eenigen, die deze laatste meening zijn
toegedaan, denken verder, dat het bezoek
te Jeruzalem, in Johannes V verhaald,
onmiddellijk na hoofdst. IV geplaatst moet
worden, en dat het vertrek naar Galilea
in de drie eerste Evangeliën de terug-
komst vanuit de hoofdstad was. Maar
het innerlijk verband van Hoofdst. V
(zooals iets verder wordt aangetoond) doet
deze reis klaarblijkelijk later in de ge-
schiedenis plaatsen.
De volgende schikking schijnt al de
vereischten van het gewijde verhaal te
vereenigen:
Eenigen tijd lang prediken en doopen
.lezus en Johannes gelijktijdig in Judea
(Zie Les XVII, Aatit. l). De menschen,
die Christus tot zich trekt, maken de op-
merkzaamheid der oversten gaande (Joh.
IV : 1). Om te verhoeden dat er reeds
zóó vroeg een botsing plaats heelt —
misschien ook om het vermoeden tegen te
gaan, dat er mededingingbestaat tusschen de
twee leeraars (Hl : 25, 26) —trekt Jezus
zich, zonder opzien te baren, naar Galilea
terug en gaat, op Zijne reis, door Samarië.
Daar Hij zijn doel — afzondering — niet
bereikt, omdat de Galileërs (tegen ver-
wachting) Hem ontvangen (IV: 45), keert
Hij terug naar de «woestijn», waar Hij
verzocht was geworden, en vati daar
(zooals door Mattheus, Markus en Lukas
aangeduid schijnt te zijn) vertrekt Hij naar
Galilea, op het hooren van Johannes* ge-
vangenneming, om in het openbaar Zijn
voornaamsten arbeid te beginnen, waar-
voor de tijd nu gekomen is, daar het voor-
bereidende werk van den Dooper is ge-
eindigd.
Het eenige wat schijnbaar tegen deze
schikking is in te brengen, is het aannemen
van een afzondering in de woestijn aan
het einde van Joh. IV. Maar naardien de
reis naar Galilea van Mattheus, Markus^
en Lukas, niet die van Joh IV : 3, 43
was, en (waarschijnlijk) evenmin later dan
Joh. V plaats had, moet zij tusschenin
gesteld worden, en van uit een andere
plaats gemaakt zijn. En als men aanneemt
dat zij van uit de woestijn gedaan werd,
maakt dit het verhaal van de drie Evan-
gelisten natuurlijker.
In één opzicht wordt deze schikking ten
sterkste aanbevolen door Joh. IV : 44, welks
woorden eene blijvende moeielijkheid zijn,
maar aldus geheel opgehelderd worden. Je-
zus ging naar Galilea,juisfomt/aï Hij daar
«niet geëerd» werd, en zoodoende afge-
zonderd kon leven (De reis in de drie eerste
Evangeliën had een geheel ander doel, nl.
om een grooten, openbaren arbeid aan te
vangen). Afzondering vond Hij echter niet,
daar het spreekwoord in dit geval slechts
gedeeltelijk bewaarheid werd. De Gali-
leërs, die te Jeruzalem op het Paaschfeest
waren geweest, en Zijne wonderen aldaar
hadden aanschouwd, waren nu gereed
om Hem te «ontvangen» {Zie Les XVIU
Aant, 2).