Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
83 XVIII. DE KONINKLIJKE HOVELING VAN KAPERN AUM.

hetgeen Hij, naar Gahlea terugkeerende,
in Judea achterliet. Dit is ongetwijfeld
verkeerd). Het is zeker, dat Nazareth «zijn
eigen vaderland» was, en als zoodanig op
een andere plaats van Kapernaüm onder-
scheiden. Zie Luk. IX: 23 (verg. Mattheus
XHI : 54; Mark. VI : 1). Maar wordt
alleen Nazareth bedoeld ? Zou het niet
veel meer heuvelland waarin Na-
zareth ujas gelegen en Kana ook? Dit
hoogere gedeelte is zoo sterk mogelijk on-
derscheiden van de laagte, waarin het meer
van Gennezareth ligt, dat in dien tijd met
volkrijke steden, waartoe Kapernaüm be-
hoorde, omringd was. In dit heuvelland
bracht Jezus Zijne jeugd door; het was inder-
daad Zijn «eigen vaderland?^; hier kwam Hij
nu — juist omdat hij geen profeet geacht
wilde worden, en eenigen tijd afgezonderd
kon leven. Maar in plaats van hetgeen ver-
wacht had kunnen worden, «ontvingen»
de Galileérs Hem, nadat zij gezien hadden,
wat Hij in Jeruzalem gedaan had. Zie
Aanhangsel III.
3. Het woord «koninklijk hoveling»
(ßa(nÄt}c6iy basilikos) wordt door Jozefus
in het bijzonder gebruikt voor de hove-
lingen en officieren van de kleine Pales-
tijnsche vorsten, in onderscheiding van die
des Romeinschen keizers. De man, die tot
Christus kwam, kan dus aangemerkt worden
als te behooren tot het gevolg van Herodes
Antipas, den «tetrarch» {d. heheerscher
van een vierde gedeelte van het konink-
rijk van Herodes den Groote). Het is zelfs
mogelijk, dat hij de rentmeester Chusas
geweest is, wiens vrouw eene der vermo-
gende vrouwen was, die Christus «dienden»
(Luk. VIII ; 3). Het is ook mogelijk, dat
hij een der Schriftgeleerden was, die hun
strenge Farizeesche leven hadden vaarwel
gezegd, en zich gevoegd hadilen bij het
genotzieke en zondige hof van Antipas,
waarop Christus schijnt te doelen, wan-
neer Hij (Luk. VII : 52) van sommige
leeraren spreekt, die «met zachte kleederen
bekleed» in «heerlijke kleedingen en wel-
lust» zijn, en «in de koninklijke hoven»
leven. Indien deze laatste vooronderstelling
juist is, zijn des Heeren woorden tot hen
«tenzij dat gijlieden teekenen en wonderen
ziet') — zoo gelijkluidend aan die, welke
Hij een anderen keer tot de schriftgeleer-
den sprak (Matth: XII : 38, 39) — van
veel beteekenis.
4. De «hoveling» kwam tot Christus
«te zeven uur», d. i. te één uur des
namiddags (zie vers 52, 63). Daar Kana
een weinig meer dan twitUig mijl
van Kapernaüm af lag, was hij zeker
vroeg iti den morgen op weg gegaan.
Hij had ongetwijfeld dien avond terug
kunnen zijn , vooral indien hij gejaagd ware
geweest door vrees voor zijn kind. Het
feit, dat hij zijne dienstknechten op den
terugweg, den volgenden dag, ontmoette,
bewijst zijn vertrouwen in Christus'
woord.
Let op de uitdrukkingen «Heere, kom
af» — «als hij nu a/i^iM^?»; welke doelen
dp de steilte, waarmede de heuvelen tot
de laagvlakte van het Meer van Genne-
zareth afdaalden.
5. Dit verhaal is een toelichting van
het belangrijke feit — dat te weinig erkend
wordt, ofschoon de Evangeliën het gedurig
bewijzen — dat de Heer Zijne wonderen
niet als den voornaamsten grond van het
geloof in Hem beschouwde. Hij wilde niet
enkel wonderteekenen verrichten, wan-
neer Hij daartoe werd aangezocht, maar
beperkte zich tot de minder opzienbarende
werken van barmhartigheid, die de wer-
kelijke teekenen van Zijne zending, —
de zinnebeelden van Zijne geestelijke zege-
ningen waren. Zelfs hadden deze meestal
tot voorwaarde het voorafgaande geloof
van de personen, voor wie zij verricht
werden. «Indien gij gelooft». — «Gelooft
gij, dat ik dit kan doen?» — «En Hij
heeft aldaar niet vele krachten gedaan
van wege hun ongeloof» — «Zoo gij mij
niet gelooft, gelooft de werken» (als een
lager soort van geloof), enz. enz. De mees-
ten van Zijne getrouwe volgelingen voegden
zich bij Hem onder den invloed van Zijn
woord en tegenwoordigheid; en toen som-
migen , alleen door Zijne wonderen ge-
troffen , in Hem geloofden , betrouwde Hij
hen niet. Wonderen bevestigden echter ge-
durig het geloof, zooals in het geval hier
voor ons, in Joh. II : 11, VI : 21—44.
en vele andere plaatsen.
6. Johannes schijnt twee redenen gehad
te hebben, om dit wonder met nadruk
«het tweede» te noemen, dat in Galilea
verricht werd (het eerste was het veran-
deren van water in wijn). — (1) Zij zijn
typische voorbeelden van de twee soorten
van Christus' werken ten opzichte van
{a) het goede dezer wereld (6) het kwade
dezer wereld — zooals in de Schets is