Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
82
XVIII. DE KONINKLIJKE HOVELING VAN KAPERN AUM.
de vader moet alleen terng gaan. Zie nu
dezen man: —
n Hij gelooft in het woord van
Christus.
«Uw zoon leeft!» — Hoe kan Hij dat
hier te Kana weten? En hoe kan het
waar zijn ? — Kan Hij genezen, zonder den
zieke aan te raken? Zoo had de hoveling
kunnen denken. Kan hij alleen terug
gaan ? Stel eens, dat hij zich vergist had.
Aarzelt hij te gaan? Maar zie —
hij heeft geen haast. Het is middag —
indien hij zich haastte, kon hij vóór den
nacht te huis zijn — doet hij het? Het is
de volgende dag, als hij op den weg zijne
dienstknechten ontmoet. Waarom alzoo?
«Wie gelooft, die zal niet haasten.»
(Jes. XXVIII : 16) {Zie Aant. 4).
Welke soort van geloof is dit? (a) Over-
tuigd, dat hetgeen Christus zegt, waar is,
Dit is meer dan sommige anderen, zie
hoofdst. IH : 4, 12, 32. Indien hij de woor-
den van Christus kan ontvangen, dan is
zijn hart bereid — hij wenscht slechts
meer te weten, om meer te gelooven.
{h) Gewillig om Christus te gehoorzamen.
Ditis de proef. Verg. Abraham, Hebr. XI: 8;
verschil met Naiiman. Zie het geloof toe-
nemen.
Let nu op de blijde tijding. Het kind
niet dood — de genezing volkomen
{ade koorts verliet hem») — en wan-
neer? Dan is het alles waar — deze
Jezus heeft het gredaan — en wat nu?
Zie den man, en zijn geheele huis —
III. Hij gelooft in Christus Zelf.
Wat beteekent vers 53? Zij gelooven
niet alleen dat Jezns kan genezen — dit
weten zij nu. Veel meer. Zij gelooven in
Hem als den Messias, bekennen hun ge-
loof (verg. Rom. X: 10), worden openlijk
Zijne discipelen — de voorname officier
aan het hof van Herodes voegt zich
onbeschroomd bij den armen verachten
Nazarener.
Welke soort van geloof is dit?{a) Een
opgewekt en blijmoedig geloof — niet
schuchter en somber, maar gelijk aan dat
van Paulus (2 Tim. I : 12) en van die
geloovigen, aan welke Petrus schrijft,
1 Petr. 1:8. (6) «Geloof, dat door de liefde
werkt» (Gal. V : 6) — dat niet stil zit,
maar bereid is om voor Christus te werken
en te lijden.
Hoe is nu ons geloof? Natuurlijk ge-
looven wij (1) in Christus' macht. Maar
gelooven wij (2) in Zijn woord — in alles
wat Hij tot ons zegt in den Bijbel ? Gelooven
wij bovenal (3) in Hem Zelf; nemen wij
Hem als onzen Zaligmaker, Heer, Vriend
aan; hebben wij Hem meer lief dan alle
anderen ?
Hoe kan dit bewezen worden? Zie den
te leeren tekst (Jak. 11 : 22). Hoe merkt
men het verschil op tusschen een dooden
en een levenden boom? Doet het geloof
in Christus ons overvloedig voortbrengen
de vrucht van goede werken?
Aanteekeningen.
1. Tot hiertoe wordt hetgeen er in de
bediening des Heeren is voorgevallen, alleen
door Johannes vermeld. In de andere
Evangeliéfi volgt het begin van Zijn grooten
openlijken arbeid in Galilea dadelijk op de
verzoeking. Alle uitleggers zijn het echter
eens, dat daar een belangrijk tijdsverloop
tusschen was, hetgeen door de gebeurte-
nissen in Joh. I : 19—IV: 42 wordtinge-
nomen.
2. « Zijn eigen vaderland», vers 44.
Vele uitleggers, meenende dat Christus de
plaats vermeed, waar< Hij geene eer kon
behalen, beschouwen Nazareth als «het
eigen vaderland», afgescheiden van het
overige gedeelte van Galilea; en dat Hij
Nazareth voorbijging, waar Hij niet ont-
vangen zou worden en ging naar Kana,
waar zij Hem « ontvingen ». (Sommigen
denken zelfs, dat Bethlehem bedoeld wordt,