Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
XVIII. DE KONINKLIJKE HOVELING VAN KAPERNAUM.
81
hadden hern voor Herodus hooren prediken
(Mark. VI: 20) — maar zouden niet gaarne
iemand hebben, die zoo streng de zonde
bestrafte. Nu hadden zij van Jezus ge-
hoord — zouden zij eerder naar Hem
hooren? — zij zouden zeggen, «deze man
een profeet? hij is slechts een Nazerener.»
Maar eenigen gingen het Paaschfeest bij-
wonen — kwamen in Galilea terug, ver-
telden, welke wonderbare dingen Jezus deed
(Joh. IV : 45, II : 23) — en toch zouden
velen er geen acht op slaan.
Wat brengt gedachtelooze menschen
somtijds tot Christus? Zie Jes, XXVI: D, 16;
Ps. CXIX : 67. Een dezer hovelingen
van Herodes {zie Aant. 8) wordt door
God beproefd ~ zijn zoon is zeer krank —
geneesheeren kunnen niet helpen—erger
en erger — hij is stervende (vers 47).
Hoe weinig geeft nu de arme vader om
weelde en genot — al zijn geld is van
geen nut — wat zal hij doen?
Üeschouw nu ons beeld van geloof
{Lees den tekst). Zie dezen hoveling —
I. Hij gelooft in Christus' macht.
In zijne smart denkt hij aan den tim-
merman van Nazareth — «hij genas
sommige menschen te Jeruzalem — zou hij
mijnen zoon niet kunnen genezen?» Jezus
is slechts twintig mijl verwijderd (vers 46).
Des morgens vroeg {zie Aant. 4) gaat de
vader op reis — een vermoeiende tocht —
op steile wegen naar een heuvelachtig
land. Misschien denkt hij (evenals Naaman,
2 Kon. V ; 9—12), dat de « profeet» zeer
vereerd zal zijn wanneer zulk een groot
man tot Hem komt, en dadelijk met hem
terug zal gaan (misschien in de hoop van
een belooning) naar het ziekbed te Kaper-
naüm.
Welke soort van geloof is dit? Hij dacht,
dat Jezus kon genezen — wist niet hoe —
misschien door een vreemd toovermiddel
aan te wenden — zeker was het, dat het vol-
strekt niet dacht (a) aan onmiddelijke ge-
nezing {b) aan genezing op een afstand of
(c) aan genezing na den dood (verg. Martha
en Maria, hoofdst. XI : 21, 32). Hoe het
ook zij. hij bekommerde zich niet om
Jezus Zelf — het was hem onverschillig
wie Jezus eigenlijk koude zijn.
Zie wat Jezus zeide, vers 48 — wat
meende Hij hiermede? Ongeveer dit: —
e Gij Joden, hebt de schriften, die van Mij
getuigen — ik heb de profetie voor uwe
oogen vervuld — toch wilt gij niet
gelooven — vraagt zelfs niet naar Mij —
gij verlangt slechts groote wonderen te
zien — zelfs dan willen velen Mij niet
aannemen » {Zie Aant, 5).
Was dit niet waar van hen? Zie hoofdst.
H : 18; Matth. XH : 38, XVI : 1; 1 Cor.
I : 22. Was het niet waar van dezen
man? — hij had nooit aan Jezus gedacht,
eer hij Zijne genezende kracht van noode
had — zelfs toen vroeg Hij alleen daar-
naar — niet het minste voornemen om
een discipel te worden.
Maken Jezus woorden indruk op hem ? —
I gevoelt hij de berisping? Hij denkt alleen
aan één ding — wenscht niets grooters
van Jezus — weet niets van het «levende
water» — van den «Zaligmaker der
wereld» (zie vers 14, 42). Toch niet be-
leedigd, zooals Naaman — te treurig, te
angstig.
Jezus had toornig op hem kunnen zijn,
maar Hij, die «zeer barmhartig en een ont-
fermera is, zal overvloediglijk doen boven
al wat de hoveling bidt of denkt.» Wan-
neer had Jezus dit te voren reeds gedaan ?
Zie hoofdst. II: 1—11.Toe« toonde Hij Zijne
macht over de goede dingen der aarde,
zegende en vermeerderde ze. Nu zal Hij
Zijne macht toonen over de kwade dingen
der aarde, ze beteugelen en genezen {Zie
Aant. 6).
Maar het geloof moet beproefd worden —
6