Boekgegevens
Titel: Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Deel: II: Nieuwe Testament
Auteur: Stock, Eugene
Uitgave: Rotterdam: D.A. Daamen, 1899
3e dr
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: NOK 09-1149
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206458
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Lessen voor de zondagschool over het Oude en Nieuwe Testament
Vorige scan Volgende scanScanned page
79 XVIII. DE KONINKLIJKE HOVELING VAN KAPERN AUM.

AANHANGSEL H. — SICHAR EN DE PUT VAN JACOB.
Men vooronderstelt alsemeen', dat Sichar
het Sicheni van het Oude Testament was,
zoo nauw verbonden met de namen van
Abraham, Jacob, Jozef, Jozua, Abimelech,
Rehabeam; zie Gen. XH, XXXHt, XXXIV;
Joz. VIH, XXIV; Richt. IX; 1 Kon. XH;
verg. Jozua XXI: 21; Ps. LX : 8, CVHI: 8.
De tegenwoordige stad Nablus (van den
Romeinschen naam Neapolis), ligt in eene
nauwe vallei tusschen de bergen Gerizim
en Ebal, waardoor altijd de hoofdweg van j
Jeruzalem naar het noorden geloopen heeft. '
De vallei zelf loopt van het westen naar i
het oosten, en een reiziger, die noord- ^
waarts ging, moest, uit de «Wady el ^
Mukhna (de vlakte van «Moré», van Gen. !
XII : 6; Deut. XI : 30) komende, links
gaan, en ïiadat hij er doorgetrokken was,
weder in eene noordelijke richting rechts
keeren. De vallei wordt als de liefelijkste
plaats van Palestina beschreven. Dr. Robin-
son, die gewoonlijk weinig opgetogen
schrijft, noemt het «een oord van ver-
lustiging».
De put, aan welks echtheid geen twijfel
is, ligt aan den ingang der vallei, ander-
halve mijl ten oosten van de stad. Deze
afstand heeft sommigen doen twijfelen of
Sichar en Sichem (Nablous) wel dezelfde
steden waren, daar er nog veel meer beken
en bronnen dichter bij de stad zijn; waarom
zoude de vrouw dan zoo ver gegaan zijn
om water te halen? Dr. Thomson leidt
hieruit ook af, dat Sichar hetzelfde was
als Askar, een dorp dicht bij den put. De
beste autoriteiten zijn het echter eens in
de eerste meening; en Tristan zegt, dat
de oude stad klaarblijkelijk meer oost-
waarts lag. Wellicht werd de vrouw door
bijgeloovige gevoelens ei* toe gebracht,
zelfs zóó ver, naar den vereerden put van
Jakob, te gaan. Het feit, dat ér op de
plaats zelve geen middelen waren om water
te putten, toont ook aan dat er niet dik-
wijls gebruik van werd gemaakt.
Alle reizigers in Palestina hebben den
put beschreven. Hij is in den harden rots-
grond gegraven, en is 75 voet diep en
9 voet in middellijn. De hoeveelheid water
erin verschilt, somtijds rijst het tot 15 voet,
op andere tijden is de put geheel droog.
Dr. Witton liet in 1842 een knecht af naar
den bodem, deze vond er een bijbel, dien
Dr. Bonar er eenige jaren te voren in had
iSKAR^
DAL VAN NABLOUS |
/\/4fli.0£/5f0nte1nvanoaac0b ^



i


O \ ^
laten vallen. Dr. Macduff proefde het water
en vond het «friscli en aangenaam van
smaak».
Waarom groef Jakob een put op eene
plaats, die zoo goed van water voorzien
was? Gedeeltelijk om twisten met de
Sicijemielen (verg. Gen. XXVI : 18—22)
te vermijden, gedeeltelijk als een zichtbaar
bewijs, dat het stuk land van hem was,
een eigendomscedel; zie Gen. XXXHI: 19;
Joz. XXIV : 32.
Les XA'IIL — De Koninklijke Hoveling van Kapernaüin.
«De gehoorzaamheid des geloofs».
Te lezen — Joh. IV : 43—54.
Te leeren — Joh. IV : 50; Jak. H : 22 (Gez. 87 : 1, 2; Ps. 139 : 1).
Voor den Onderwijzer.
Misschien zijn er weinig wonderen van den Heer, die op het eerste gezicht