Boekgegevens
Titel: Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Auteur: Fortanier, A.P.
Uitgave: Amsterdam: G.L. Funke, 1869
[S.l.]: Loman, Kirberger & Van Kesteren
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 295 B 29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206389
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Azië, Geschiedenis: geschiedenis van Amerika
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Vorige scan Volgende scanScanned page
79
van
het; terwijl hij zelf getuigt geen genot te hebben gehad
eenige vrijdommen, en zich menige daad van edelmoedigheid toe-
schrijft.
3.
De vermeesteeing van Oost-Indië door de engelschen en
hunne heerschappij aldaar.
Met • de benoeming van daendels was de betrekking van Gou-
verneur-Generaal merkelijk van aard veranderd. Vroeger waren
het of bewindhebbers en aandeelhouders der Compagnie, of ambte-
naren, die in ondergeschikte betrekkingen naar Indië gegaan, zich
tot de hoogste posten hadden opgewerkt en verantwoordelijk waren
aan het bestuur der Compagnie. De Kamer van Zeventienen, de
Algemeene Staten, de Erfstadhouder bekrachtigden de benoeming,
die de Baad van Indië, bij ontstentenis van den Gouverneur-Gene-
raal, voorloopig van een zijner leden had gedaan. Daendels was
de eerste die door het Bestuur des lands werd verkozen. Na
hem is dit zoo gebleven, en werden meestal diegenen tot deze
hooge betrekking geroepen, die, hetzij in het militaire, hetzij in
het burgerlijke, hooge posten in Indië hadden bekleed en daar
gewichtige diensten hadden bewezen.
Te bejammeren was het, dat daendels juist in dien gevaarvollen
tijd van het bewind ontslagen werd, en dat zijn opvolger iemand
was, die al spoedig toonde het doorzicht, de talenten en de stand-
vastigheid van zijn voorganger te missen. Zijn laatste bestuur en
zijne overgave van de Kaapkolonie strekten niet om het vertrouwen
op hem te vermeerderen. De officieren en soldaten die hij mede-
bracht, kenden de Indische toestanden niet, en waren niet van de
bekwaamsten. Vooral de Generaal jumel bewees dit alras, en jans-
sens zelf kon den stand van zaken, door daendels in het leven
geroepen, niet beheerschen. Zijne zwakheid toonde hij al spoedig
door het oor te leenen aan klachten van hen, die daendels door
zijn vasten wil tot gehoorzaamheid had gedwongen. En was deze
laatste wel wat al te onverzettelijk geweest, janssens' toegevendheid,