Boekgegevens
Titel: Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Auteur: Fortanier, A.P.
Uitgave: Amsterdam: G.L. Funke, 1869
[S.l.]: Loman, Kirberger & Van Kesteren
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 295 B 29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206389
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Azië, Geschiedenis: geschiedenis van Amerika
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Vorige scan Volgende scanScanned page
36
geschiedenis uitmaakt. "Wel schreef men een algemeenen boet-,
en bededag uit, als of men berouw had over de begane
wreedheden; maar de gevolgen bleven niet uit. Er ontstond ver-
deeldheid in den Tiaad van Indië; van imhoff en nog twee ande-
ren werden door valckenier in de volle vergadering gearresteerd,
en ieder afzonderlijk ingescheept en naar het vaderland gezonden
om daar terecht te staan. Zonderling genoeg was, tijdens dit alles
in Indië gebeurde, in Nederland valckenier ontslagen en van im-
hoff tot zijn opvolger benoemd.
In Nederland aangekomen werd het gedrag van van imhoff aan
een gerechtelijk onderzoek onderworpen. Ook valckbnier's handel-
wijze werd crimineel onderzocht, terwijl men het bevel afzond om
hem onderweg aan te houden, in geval hij reeds van Java vertrok-
ken mocht zijn. Aan de Kaap ontmoette hem dit bevel, en werd
hij, na uit eene ernstige ziekte hersteld te zijn, naar Batavia terug-
gevoerd en daar in het kasteel gevangen gezet. Tijdens het proces
overleed hij in zijn' kerker, terwijl aan zijne erfgenamen in 1760
hunne vordering, ten bedrage van ruim 7 ton, werd uitbetaald.
Gelukkig was het te achten dat de keizer van China, aan wien
een verslag werd gezonden omtrent den opstand zijner onderdanen,
zich aan den moord vau eenige duizenden zijner landgenooten niet
scheen te storen.
5.
Verval en ondergang der Oost-Indische Compagnie.
Van lieverlede was er, door onverschilligheid, gebrek aan talent en
zorgeloosheid bij de Bewindhebbers der Compagnie, zulk een ongun-
stige toestand ontstaan, dat de aandeelen wel de helft minder waarde
hadden, en de Hooge Eegeering zich met hare zaken begon te be-
moeien. Door de omstandigheden gedwongen moesten de Bewind-
hebbers dit toelaten. Het octrooi werd eerst voorloopig voor één
jaar verlengd, onder beding dat er opening van zaken zou worden
gegeven. Na velerlei onderhandelingen werd het eindelijk in 1742
voor twaalf jaren vernieuwd, nadat uit een nauwkeurig onderzoek