Boekgegevens
Titel: Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Auteur: Fortanier, A.P.
Uitgave: Amsterdam: G.L. Funke, 1869
[S.l.]: Loman, Kirberger & Van Kesteren
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: IWO 295 B 29
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206389
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis van Azië, Geschiedenis: geschiedenis van Amerika
Trefwoord: Nederlandse koloniën, Geschiedenis (vorm), Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Geschiedenis van het ontstaan en de ontwikkeling der Nederlandsche koloniën
Vorige scan Volgende scanScanned page
verkozen moest meii Iloofclparticipant zijn '). De Bewindhebbers
genoten (Art. 29) 1 pet. van de uitrustingen en retouren; als zij
buiten hunne woonplaats werkzaam waren, behalve schuit- en wagen-
vrachten, nog ƒ 4 daags, een vrij logement in den Haag, en een
binnen- en buitenjacht om te reizen. Later veranderden en ver-
meerderden deze bezoldigingen, inzonderheid te Amüerdam, waar
men zelfs de gewoonte invoerde om aan Burgemeesteren, Predi-
kanten enz. eene jaarlijksche specerij-uitdeeling te doen plaats heb-
ben. Evenzoo werd de wijze van voordracht tot benoemingen enz.
veranderd; en toen in 1749, ten voordeele van het huis van Oranje
en vooral van willem IV, eene nieuwe betrekking, die van Opper-
hewindhelher der O. I. Comp, werd in het leven geroepen, verbond
men daaraan het recht tot benoeming van Bewindhebbers uit een
aangeboden drietal, met '/ss aandeel in de uitkeeringen. De aan-
vankelijke inleg bestond uit ongeveer 6V2 millioen Gulden, waarvan
Amsterdam de helft, Middelburg een vierde, de overige Kamers de
rest bijeenbrachten Voorts werden er bepalingen gemaakt, zoo
voor de schepelingen aan boord, als voor de „aan den vasten wal
bescheidenen;" tegen het vloeken en het verzuimen van het
morgen- en avondgebed aan boord der schepen; omtrent de goe-
deren van hier als ruilhandels-waren, en de muntstukken naar
Indië tot betaling aldaar mede te nemen. De laatsten zouden be-
staan uit rozenobels, rijksdaalders en realen van achten te Dor-
drecht gemunt; terwijl eindelijk de Staat, als onmiddellijk voordeel,
bij 't verleenen van dit eerste octrooi,/25.000 zou genieten. Voor
de vm-nieuwing in 1623 is niets betaald; daarentegen in 1647 ruim
T/ä millioen, en van 1696 tot 1740 bij elke vernieuwing 3 millioen.
Ten slotte bepaalde men dat de handel, tot hiertoe door de verschil-
lende Maatschappijen gedreven, nog gedurende het loopende jaar
voor rekening van elke bijzondere vereen iging zou blijven, ofschoon
men van nu af aan, waar men elkander in Indië ontmoeten mocht,
gemeenschappelijk zou handelen. Deze bepaling heeft evenwel tot
vele moeielijke en omslachtige afrekeningen aanleiding gegeven.
') Het octrooi noemt (Art. 28) Participanten en Hoofdparticipanten De laatsten
moesten een inleg hebben van minstens ƒ 6000.—. Te Enkhuizen en Hoorn was
de helft voldoende. Participanten minstens ƒ 2000.
Enkhuizen omstreeks B'/s ton, Delft 4'/j, Hoorn 8, Rotterdam 2 ton.
Misschien is dit wel de maatstaf voor den toenmaligen blooi dezer steden.
■■') Een reaal van achten deed ƒ2,50 a ƒ 3,—.