Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
81
De ammoniak verbindt zich gretig met alle zu-
ren. De koolzure ammoniak, een der stoffen, die
door de planten het gemakkelijkst opgenomen
worden, ontstaat zeer spoedig, vooral wanneer
warm en vochtig weder het verrotten van plant-
aardige en dierlijke stoffen begunstigt, gelijk
meermalen in het voorjaar plaats vindt, als wan-
neer het graan spoedig en welig opschiet, maar
zwakke halmen en weinig gevulde aren geeft.
Alsdan heeft de vorming van koolstofzuur en
ammoniak de overhand; er worden minder aard-
achtige stoffen ontleed en opgenomen, en door
deze onvolkomen voeding kan de plant zich niet
behoorlijk ontwikkelen.
Dezelfde oorzaak kan evenwel verschillende uit-
werkingen te weeg brengen. Wij hebben reeds
gezien, dat het koren op veenachtigen, zwarten
grond ligtelijk gaat liggen; maar hier is het kool-
zuur en de ammoniak in te groote hoeveelheid
voorhanden, omdat in diergelijken grond onder-
scheidene vaste stoffen bijna geheel ontbreken.
Eene gelijke oorzaak werkt bij het gaan liggen
van het koren op versch bemeste gronden.
Gelijk nu een veenachtige grond, door het
opbrengen van zand en aarde, dikwijls voor vele
jaren is te verbeteren, zoo kan men ook, bij
warm en nat weder, op versch bemeste gronden
veel nut te weeg brengen, door het gezaaide niét
de hak of hakploeg aan te hoogen, hetgeen bij
fi