Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
59
welk eeno groote hoeveelheid koolzuur er aanhou-
dend op deze wijze moet worden gevormd.
Wat het voortbrengen van koolzuur bij de ver-
rotting aangaat, zoo mag men vrijelijk vaststellen,
dat xlit zuur, wegens de groote hoeveelheid kool-
stof, die de planten en de dieren in hunne zamen-
stelling bezitten, wel het voornaamste voortbreng-
sel is, dat hierbij gevormd wordt; terwijl echter
de organische ligchamen ook nog andere stoffen
bezitten, zoo worden deze tegelijkertijd gedeelte-
telijk ontwikkeld en gaan daarbij niet zelden
nieuwe verbindingen aan, terwijl de overige te-
rugblijven, op den grond hunnen invloed uitoefe-
nen en zijne vruchtbaarheid vermeerderen. Het
vervlugtigen dier stoffen worden wij aan den
dikwerf zeer onaangenamen reuk gewaar; terwijl
de plaats, waar het rottende ligchaam gelegen
heeft, altijd aan den weelderiger wasdom der
gewassen is te herkennen.
Even als in het algemeen eene voorafgaande
verhitting het vereischte tot verbranding uitmaakt,
even zoo is de aanwezigheid van water een on-
misbaar vereischte voor de verrotting. Zonder
vochtigheid kan er geene verrotting plaats hebben.
Maar terwijl de verbindingen bij de verrotting
veel langzamer plaats vinden dan bij de verbran-
ding, zoo is ook de ontwikkeling van warmte en
licht veel minder in het oog loopend. Dat zij
evenwel plaats hebben, zien wij bij eene broei-