Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
182
gevolg kan worden verbouwd. Op zandgrond, in
welken de tarwe in den regel niet goed gelukt,
laat men liever dadelijk de rogge volgen.
jSTa het wintergraan, komen de aardappelen
en mangelwortelen in aanmerking, die, wegens
hunne sterke groeikracht, nog al die stoffen op-
nemen, welke door tarwe of rogge zijn terug ge-
laten. Ook staat thans het stikstofgehalte van
den grond met de behoefte dezer planten meestal
in een zoodanig evenwigt, dat zulks door geene
overmaat meer schaden zal.
Bij zeer goed land is het ook wel gebruikelijk,
om dadelijk na het wmtergraan zomergarst te
telen, waarvoor men in de stoppelen der winter-
vrucht dikwijls nog eene groene bemesting met
wikken of boekweit kan aanbrengen. Doch ook
zonder deze, zal de garst meestal goed gelukken,
omdat zij veel minder stikstof dan de vorige
graansoorten bevat. Ook behoeft zij minder pot-
asch, maar daarentegen meer kiezelzuur, dat door
het omploegen voor den winter oplosbaar gemaakt
wordt. Het phosphorzuur-gehalte is insgelijks
minder, dan bij de tarwe en rogge. Hiervan mag
het wel afhangen, dat niet alle gronden geschikt
zijn, om nog, na de tarwe, garst te laten volgen,
omdat bij sommigen de voorraad dezer stoffen
reeds te veel verteerd kan zijn. Wij weten ove-
rigens, dat de garst, als eene teedere plant, eenen
vruchtbaren grond en goede voorbereiding behoeft.