Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
177
heeft zulks geen plaats, dan blijft er niets anders
over, dan om aan den grond behoorlijk tijd te
laten, ten einde hij zelf zijne verlorene bestand-
deelen weder voorbereidt; terwijl men dan in dien
tusschen tijd die gewassen kan telen, welke andere
voedingstoffen, dan de voorgaande, vorderen. Op
deze wijze zal men dus zooveel mogelijk nut trek-
ken van den tijd, welke anders, bij het eigenlijk
braakliggen, verloren gaat. Niet alleen levert
deze behandeling het voordeel op, dat men tus-
schentijds een ander gewas verbouwt, maar ook,
dat hierbij de bestanddeelen van den grond, bijna
even goed als bij het braken, verweren, omdat
men in den regel een gewas verkiest, dat het
bewerken van den grond vordert. Men moet dus
bij de vruchtwisseling niet alleen acht geven op
de verscheidenheid van het voedsel voor elk af-
zonderlijk gewas, maar ook op de gelegenheid
om den grond, na eiken oogst, behoorlijk te kun-
nen bewerken, ten einde het verweren zijner be-
standdeelen te bevorderen.
Verder komt de groeikracht der gewassen in
aanmerking. Het is duidelijk, dat teedere plan-
ten, die de opgeloste stoffen minder gretig met
hare wortels opnemen, ook het meest oplosbare
bestanddeelen in den grond moeten aajitreffen, en
dat dit vereischte des te minder noodzakelijk wordt,
naarmate het opnemingsvermogen der planten ster-
ker is. Ook is het denkbeeld niet te verwerpen,
12