Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
184
weder eene andere vruchtwisseling. In ^^laats
echter van ons thans tot eene dorre opgave der
meest gewone stelsels van vruchtwisseling te be-
palen, willen wij liever de regelen opgeveil, die
hierbij in acht genomen moeten worden, en vol-
gens welke een ieder in staat is, om een stelsel
naar de bijzondere geaardheid van zijnen grond,
met het meeste voordeel in te rigten.
Het is ons thans bekend, dat de verschillende
landbouwgewassen vrij algemeen hetzelfde voed-
sel, schoon in zeer verschillende hoeveelheid,
verbruiken; sommigen toch nemen meer potasch,
andere meer kiezelzuur of kalk tot zjph, deze
vorderen meer phosphorzuur dan gene, enz. Heeft
nu eene plant een zeker gedeelte van de voor-
handen stof aan den grond ontnomen, dan is het
natuurlijk, dat een ander gewas, 't welk hetzelfde
voedsel' behoeft, om het even of het al dan niet
van dezelfde soort is, zoo dit dadelijk na het vo-
rige verbouwd wordt, minder goed zal slagen;
want de grond, wanneer hij door verwering de
hem ontnomene stoffen weder terug moet krijgen,
en zoo deze oplosbaar gemaakt dienen te worden,
vordert daartoe eenen^veel längeren tijd, dan ge-
woonlijk tusschen het oogsten en uitzaaijen van
beide gewassen verloopt.
AVel kan men, zoo als wij gezien hebben, de
ontbrekende stoffen, op eene kunstmatige wijze,
door bemesting, aan den grond teruggeven; doch