Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
170
keerd is, omdat er bij het telen van braakvruch-
ten meer voordeel te behalen is en evenwel de
gronden minder uitgebouwd en minder met on-
kruid bezet raken.
Hoewel nu het braken niet voor eene goed-
gedreven bouwerij is aan te prijzen, en slechts
eene bijzondere ver afgelegene of ongenaakbare
ligging . van sommige landerijen dit noodzakelijk
kan maken, zoo leeren wij hieruit echter het
groote nut van het bewerken van den bouw-
grond. De scheikundige werking van ploegen
en spitten berust op het navolgende: Eene me-
nigte steensoorten bestaan uit kleiaarde en ver-
schillende verbindingen van kiezelzuur met pot-
asch, kalk, soda, ijzer- en mangaan-oxyde. De
verweerde rotsen hebben onzen klei-bodem ge-
vormd, en wat is dus natuurlijker, dan dat, door
een later ontbinden dezer klei, de daarin voor-
handen plantenvoedsels, vooral ook het kiezel-
zuur, opgelost en geschikt gemaakt worden, om
door de planten opgenomen te worden. Van den
ammoniak, die door de klei wordt opgenomen,
willen wij thans niet spreken, daar wij deze kun-
nen beschouwen als toevallig voorhanden. Een
geheel uitputten der klei kan men niet verwach-
ten , omdat de verwering zeer langzaam voortgaat,
en de hoeveelheid der opgenomene stoffen in eve-
redigheid zoo gering is, dat er duizende jaren
noodig zijn, om dit verlies merkbaar te maken.