Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
iU
gering gedeelte in -voorlianden zijn, met uitzon-
dering echter van het kiezelzuur, dat het voor-
naamste bestanddeel van het stroo uitmaakt.
Hierbij moeten wij niet vergeten, dat de tarwe-
plant, in vergelijking van rogge en haver, eene
minder sterke groeikracht bezit. Daarom dienen
de noodige voedingsmiddelen overvloedig in den ak-
ker voorhanden te zijn, terwijl het tevens noodig
is, dat er eene zoo veel mogelijk juiste verhou-
ding ten aanzien der oplosbaarheid van deze voe-
dingstoffen in acht genomen wordt, ten einde
zoo wel het stroo als het zaad behoorlijk te voe-
den, en hierdoor het gaan liggen te voorkomen.
Uit dit een en ander blijkt het, dat de tarwe,
waar het de grond slechts toelaat, het eerste van
alle korensoorten, na behoorlijke bemesting, moet
worden verbouwd. Heeft de mest nu zoowel
zijne eigene bestanddeelen aan den grond afge-
staan, als ook de bestanddeelen van den grond
zelven oplosbaa'r gemaakt, dan zal de tarwe eene
genoegzame hoeveelheid behoorlijk toebereid voed-
sel vinden, en alzoo welig groeijen. Dat versch
gemeste gronden niet terstond de noodige vrucht-
baarheid bezitten, is alleen daaraan toe te schrij-
ven, dat de vaste bestanddeelen van den grond
niet zoo spoedig oplosbaar gemaakt zijn; en dat
op bemeste, zoowel als op overgierde landen het
koren somtijds gaat liggen, wordt meestal veroor-
zaakt door de ongelijke oplosbaarheid der stoffen,