Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
124
oplosbare moeten behooren. Dit veroorzaakt het
algemeen genoeg bekende verschijnsel, dat aalt
somwijlen de planten kan overvoeden, en ziekte-
toevallen doet ontstaan, waarvan, onder anderen,
de roest bij d.en tabak, een duidelijk voorbeeld
oplevert. Maar ook, bovendien, laat zich hier-
uit verklaren, waarom de invloed van de aalt
op den plantengroei niet langer dan voor een
enkel gewas aanhoudt; want na dezen tijd zijn
alle hare vaste deelen óf door de planten opgeno-
men, 6f te diep in den grond weggezakt.
Hoe minder er humus in eenen overglerden
akker voorhanden zij, des te eerder treden de
nadeelige gevolgen van de aalt te voorschijn.
Doch men kan deze voor een groot gedeelte voor-
komen, zoo zij slechts op eenen zwaren, kleihou-
denden grond wordt gebezigd, of zoo men haar,
bij eenen ligten grond, diep onderploegt, ten
einde de te scherpe werking door meerdere ver-
deeling te verzachten.
Terwijl de aalt zeer veel mestende stoffen be-
vat, is men wel eens van oordeel geweest, dat
men het land onvoorwaardelijk met haar zoude
kunnen behandelen; doch dit was verkeerd ge-
zien. Want de grond zal dan ten laatste zijne
werktuigelijke losheid, welke hij aan de vaste,
nog onverteerde stoffen van den mest ontleend
heeft, geheel verliezen, en daarbij tevens de eigen-
lijke bron van h^t koolzuur en de stikstof, welke