Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
122
kunstmatige opvoeding en verzorging; hoe meer
stoffen zij ter verarbeiding aantreffen , des te groo-
ter en krachtiger zullen zij opgroeijen, totdat er
zich andere oorzaken voordoen, die eene te sterke
voeding in den weg staan; zoo als, bij onze graan-
soorten , het tegen den grond gaan leggen, waar-
door een behoorlijk uitzetten van den korrel wordt
belemmerd.
Het voorname doel van den landman is, om
eene zoo groot mogelijke opbrengst te verkrijgen
^an zijne gronden. Hij moet dus de bemesting
zoo hoog mogelijk opvoeren, zonder echter door
overmaat te schaden; en hoe hij hierin het beste
zal slagen, leert hem de ondervinding veel beter,
dan eene fijn uitgewerkte berekening. In het al-
gemeen echter zal men wel doen, liever iets te
veel dan te weinig mest te gebruiken, te meer,
omdat men het nadeelige eener geringe overmaat
door rijenteelt, door het meer uit elkander poten
en zaaijen, en door behakken kan verhelpen.
Ten aanzien van het strooisel moeten wij opmer-
ken, dat, zonder twijfel, het stroo 't best daartoe
geschikt is, en dat men alleen bij gebrek hiervan,
of wanneer al het beschikbare voor voedsel noo-
dig is, tot het strooijen van aarde, boombladeren,
of heide moet overgaan; want deze stoffen ver-
anderen de hoedanigheid van den mest, zoowel
in zijne zamenstelling, als vooral in zijne werking
op het losmaken en ontleden van den bouwgrond.