Boekgegevens
Titel: Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Auteur: Babo, Lambert von; Meijlink, Bernardus
Uitgave: Deventer: A. ter Gunne, 1849
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 1172
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206375
Onderwerp: Landbouwwetenschappen: grondbewerking (landbouw)
Trefwoord: Landbouwchemie, Bodemchemie, Leermiddelen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Akkerbouw-scheikunde of Kort begrip van de scheikundige grondwaarheden, welke de landbouwer behoort te kennen, ten einde zijnen akker behoorlijk te behandelen
Vorige scan Volgende scanScanned page
deze stofFen voortbrengen: zij moeten voorhanden
zijn, wanneer de plantengroei naar wensch zal
voortgaan. Tusschen planten en dieren echter
bestaat ten dien opzigte het groote onderscheid,
dat de laatsten het noodige voedsel in eenen te
voren niet ontleden toestand tot zich nemen, en
deze ontleding bij hen eerst in de maag plaats
heeft; terwijl de planten, die zich niet kunnen be-
wegen, ten einde voedsel op te zoeken, en ook
geene maag hebben, om dit te verteren, haar voed-
sel moeten aantreffen op de plaats, waaraan zij
met hare wortels gekluisterd zijn, en nu is de
lucht of de bodem de plaats, waar zulks voor haar
wordt bereid. Maar daarin komen planten en
dieren overeen, dat zij beide niet kunnen leven,
zoo zij de noodige voedingsmiddelen niet aan-
treffen.
Eveneens als de landman zijn vee voedert in
den stal, zoo moet hij ook zijne gewassen voederen
op het land. Aan het eerste geeft hij het voed-
sel versch of gekookt, zonder zich verder over
de ontleding in de maag te bekommeren; bij de
gewassen échter moet hij zorgen, dat het hun in
eenen behoorlijk toebereiden staat geworde. Den
dieren geeft hij het in grof verdeelden toestand,
dewijl zij dit tot de gevorderde fijnheid kunnen
vei'malen; bij de planten echter moet hij weten,
niet slechts welke stoffen, maar ook in welke
lioeveelheid zij deze behoeven, opdat hij daar-