Boekgegevens
Titel: Het onderwijs in geschiedenis op de Hoogere Burgerscholen
Auteur: Alberdingk Thijm, Petrus Paul Maria
Uitgave: 's-Hertogenbosch: Henri Bogaerts, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 982
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206358
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis: algemeen
Trefwoord: Geschiedenisonderwijs, HBS
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het onderwijs in geschiedenis op de Hoogere Burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
15
REDENEN WAARDOOR HET DOEL DER WET ONBEREIKT
BLIJFT EN ALTOOS BLIJVEN ZAL.
De wetgever moge zonder de w^aarschijnlijke gevolgen
te hebben voorzien, van den maatregel, al wat naar gods-
dienst lijkt van de scholen uit te sluiten, ter goeder trouw
eerbied hebben verzocht en dien ook meenen te bewij-
zen aan alle Nederlanders van welke overtuiging ook:
wij gelooven dit; maar uit de toepassing blijkt, dat
hij eene onpraktische zijde heeft, en dat het doel niet
wordt bereikt wat de wetgever zich voorstelt. Zij die
bijzonder met de bewaking van de uitvoering der wet
zijn belast, mogen met menschenkennis en toegevendheid
het drukkende willen wegnemen, wat zij voor velen nog
heeft: het is vergeefs. Hun gezworen eed legt hun plichten
op, die, trouw vervuld wordende, belemmerend op de
vrijheid van onderwijs moeten werken; en de ondervin-
ding bevestigt dit alle dagen.
Wij zullen dat met een paar voorbeelden ophelderen.
Er bestaat volgens de wet zeer veel grond het joodsche
volk in de scholen zoo te bespreken, als men elk ander
Oostersch volk behandelt; namelijk, zonder te laten door-
komen dat dit volk het „volk Gods" genoemd wordt,
dewijl het onder de bijzondere bescherming der Voorzienig-
heid stond. Dit geschiedt dan ook zoo in verschillende scho-
len. De leeraars enz. zijn natuurlijk van meening dat, daar
de waarde van het Christendom in de christelijke geschie-
denis op de school, uiet mag doorkomen, evenmin van het
Jodendom de verhouding tot God mag worden besproken,
mcenende dat dit overgaat op het gebied der theologie.
Doet de leeraar dit nu dewijl hij zelf niet aan de bovenna-
tuurlijke bestemming van het joodsche volk gelooft, of uit
louter eerbied voor de wet, dit is in zoo verre onverschil-
lig. Genoeg; het geschiedt. Wij kunnen de verzekering
iÉS