Boekgegevens
Titel: Het onderwijs in geschiedenis op de Hoogere Burgerscholen
Auteur: Alberdingk Thijm, Petrus Paul Maria
Uitgave: 's-Hertogenbosch: Henri Bogaerts, 1868
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: Obr. 982
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206358
Onderwerp: Geschiedenis: geschiedenis: algemeen
Trefwoord: Geschiedenisonderwijs, HBS
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Het onderwijs in geschiedenis op de Hoogere Burgerscholen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
Men mag verhalen waardoor b. v. eenig vorst aan
zijn volk liet zij de stoffelijke welvaart heeft bevorderd
of die heeft geknot; een woord over kunstgeschiedenis en
letteren, maar overigens zoo Aveinig mogelijk van de ge-
schiedenis der beschaving, wanneer die niet hoofdzakelijk
stoffelijke voordeden heeft opgeleverd.
Dat zulk een onderwijs praktische menschen vormt,
kan mogelijk wezen, dat het evenwel eene oefening is in
christelijke deugden, die zeer verschillend zijn van
m a a t s c h a p p e 1 ij k e deugden, verklaren wij niet te ver-
staan. — Doch verondersteld dat ook c h r i s t e 1 ij k e deug-
den door zulk eene geschiedenis-oefening worden bevorderd.
Nu moet dit onderwijs nog gegeven Avorden met den
eerbied voor „andersdenkenden." Daaruit meenen wij te
verstaan, dat alle zaken en personen, die tot de kerkge-
schiedenis schijnen te naderen zóó voorgesteld moeten
worden, dat aller meening daarin wordt ontzien, en alles
verzwegen wordt wat „andersdenkenden" maar eenigszins
pijnlijk kan zijn. Dit verklaar ik op ondervinding van
velerlei aard als eene radikale onmogelijkheid. En heeft de
wetgever deze strenge konsequentie uit de letter der wet
niet willen trekken, zoo had hij volkomen kimnen volstaan
met te zeggen: „Een leeraar moet met goede trouw,
en zonder uitdrukkingen, die ten doel hebben opzet-
telijk andersgezinden te kwetsen, onderricht geven. Dit
ware dan een voorschrift van gewone moraal, 1) en zou
1) Dit zelfde denkbeeld deed de heer Thorbecke werkelijk ook aan dcliand,
zeggende, dat men de godsdienstiL,^e beiirippen van andersdenkenden «nergens
mag krenken.» Dat dit een maatschappelijke en bur^^erpligt is, die men noch
in de tweede Kamer noch elders — dus ook niet in de school — mag overtre-
den. De heer van Nispen van Sevenaer, daarmede natnnrlijk volkomen in-
stemmende, zeide daarop, dat onder niet kwetsen van de godsdienstige begrippen
van andersdenkenden ontzettend veel kan getrokken worden......Kren-
king der godsdienstige beginselen van andersdenkenden mag nooit plaats
hebben, zeide de spreker, maar vrijheid moet er zijn, om datgene te leeren,
wat «in het belang der opvoeding noodig en dringend is.» (Zie
Kreenen, «De wet op 't middelbaar onderwijs,» bl. '189, vlg).