Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
IPiSTRUCTIE DER SCHOOLOPZIENERS. S5
des niet te min aangemoedigd, deels, om in gevalle van
noodzakelijkiieid of uitstekende nuttigheid, of ook, wan-
neer zulks buiten hun merkelijk bezwaar geschieden kan,
zich aan het getal van twee jaarlijksche schoolbezoeken
niet te bepalen, maar dezelve meermalen te herhalen;
deels, om ook de overige scholen, binnen zijn district,
(art. 10, 11 en 13 van het regl. en art. 12 dezer instr.)
van tijd tot tijd te bezoeken, doch daarin, voor zoo verre
die scholen staan onder een bijzonder over dezelve ge-
vestigd opzigt. (art. 13 van het regl.) niet te werkte gaan,
zonder behoorlijk voorafgaand overleg met hetzelve.
Art. 6.
Bij het bezoeken der scholen, die regtstreeks te zijner
verantwoording staan, zal hij den meester in zijne tegen-
woordigheid onderwijs doen geven aan leerlingen van on-
derscheidene klassen en van allerlei vorderingen; immers
voor zoo veel noodig is, om over de manier en inrigting
van het onderwijs te kunnen oordeelen: voorts zal hij op-
letten, of de gearresteerde bepalingen omtrent het school-
wezen (art. 11 der wet), als mede de schoolorde, zoo al-
gemeene als bijzondere (art. 21 van het regl.) naar be-
hooren in acht genomen en opgevolgd worden, en verder
gade slaan op al hetgene bij hem van belang zal worden
geoordeeld. Na den afloop van welk schoolbezoek hij den
schoolhouder of de schoolhouderesse in persoon en afzon-
derlijk zal onderhouden over alles, wat door hem bij het
schoolbezoek is opgemerkt, en hem of haar, naar bevind
van zaken, den verdienden lof geven, onderrigten, ver-
manen of bestraffen, over hetgene hij gezien of gehoord
heeft; terwijl eindelijk ieder schoolopziener van zijne waar-
nemingen en opmerkingen bij deze schoolbezoeken behoor-
lijke aanteekening zal houden, om te dienen, als hierna
art. 24 en 25 van deze instructie vermeld wordt.
Art. 7.
p
Bij het bezoeken der overige scholen (art. 8) zal de
schoolopziener de bedenkingen en opmerkingen, welke hij
mogt hebben opgezameld, niet aan den onderwijzer, maar