Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
T
lijl^ 45 REGLEMENT VOOR HET LAGER SCHOOLWEZEN
personen en collegien, als tot de bijzondere scholen der
eerste klasse (art. 3, n°. 1.) de naaste betrekking heb-
ben, de faculteit om derzelver onderwijzers respectievelijk
het regt en genot hunner speciale beroeping of aanstelling
voor zoo langen of korten tijd, of ook geheel te ontne-
men, als zij billijkerwijze voor het belang hunner scho-
len zouden mogen noodig oordeelen, gevende daarvan,
benevens van de hiertoe moverende redenen, dadelijk
kennis aan den schoolopziener van het district of de plaat-
selijke schoolcommissie, ten einde, voor zoo verre noo-
dig geoordeeld wordt, van een en ander opentlijk berigt
te geven ter plaatse, waar zulks behoort.
Art. 27.
Ten aanzien van alle overige onderwijzers, namelijk
de openbare schoolonderwijzers, de bijzondere schoolon-
derwijzers der tweede klasse, de schoolhouderessen en de
huisonderwijzers, zal geene opschorsing of intrekking der
speciale beroeping, aanstelling of admissie kunnen plaats
hebben, afgescheiden van de opschorsing en intrekking
hunner acte van algemeene toelating, overeenkomstig art.
18 en 19 der wet, en zal hiervan almede de opentlijke
bekendmaking geschieden ter plaatse, waar zulks behoort.
Art. 28.
Op alle bijzondere scholen der eerste klasse (art. 3,
n". 1.) zullen alleen mogen worden opgenomen en onder-
wezen zoodanige kinderen, die zeiven of wier ouders tot
de diakonie, het godshuis, de maatschappij of het gesticht,
waaraan die scholen respectievelijk verbonden zijn, of on-
der derzelver oprigters of inteekenaars behooren.
Bij wijzijjing, in zoo verre, van art. 28 van het reglement A,
behoorende lot de wet van 3 April 1806, zullen al de in § 1
van art. 3 van gemeld reglement bedoelde bijzondere scholen
der eerste klasse, die bij uitsluiting behooren tot eenig gods-
buis, van welke gezindte ook, behalve door kinderen tot zooda-
nig geslicht behoorende, ook kunnen bezocht worden door kin-
deren, wier ouders door het diakonie- of armbestuur dier ge-
zindte worden gealimenteerd.
Kon. besl. van 2 Jan. 1842, n°. Gl, (st.bl. nM), art. 9.