Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
24 KEGLEÏIEHT VOOR HET LAGER SCHOOLWEZEN.
het onderwijs der lagere scholen gemaakt, of nog te ma-
ken.
Art. 14.
Al de genen, die thans lager onderwijs geven en boven
in art. 4 omschreven zijn, zullen zich in den loop der
maand Jiilij dezes jaars, in persoon of schriftelijk ver-
voegen bij den schoolopziener van het district, of de
plaatselijke schoolconimissie, waar zoodanig eene beslaat;
zullende zij, die alsdan tevens eene acte van vorige beroe-
ping, aanstelling of admissie inleveren, dadelijk een be-
wijs van algemeene toelating ontvangen, als ook de zul-
ken, die zonder eenigerlei acte van dien aard te bezitten,
daartoe op eenigerhande grond, door den schoolopziener
of de plaatselijke schoolcommissie, onder goedkeuring van
het daartoe bevoegd bestuur, geregtigd geoordeeld wor-
den; vallende dan allen, die langs dezen weg een bewijs
van algemeene toelating erlangen, onder de termen van
thans wettig fungerende onderivijzers, art. 13 der wel
vermeld.
Art. IS.
In geval van verregaande onkunde (art. IS der wet) zal,
na voorafgaande vermaning en waarschuwing door den
schoolopziener of de plaatselijke schoolcommissie, een ze-
kere tijd van ten minste zes maanden worden gesteld,
na welken zij, het zij voor de commissie van onderwijs,
het zij voor de plaatselijke schoolcommissie (art. 10), in
geval zij onder zoodanig eene ressorteren, bewijzen hun-
ner aanvankelijke vorderingen zullen moeten geven, of
bij gebreke van dien, op de wijze, bij art. 18 en 19 der
Avet bepaald, in hunnen post geschorst of daarvan ontzet
worden.
Art 16.
Fan de bepalingen, bij art. 13 der wet gemaakt, zijn
almede uitgezonderd zoodanige personen, die binnen deze
republiek van eenige daartoe bevoegde vergadering de