Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
lijl^ 17 REGLEMENT VOOR HET LAGER SCHOOLWEZEN
doorgaans doorgaans door kinderen genoten wordt. Door mid-
delbaar onderwijs daarentegen heeft men verstaan datgene, het-
welk gegeven wordt aan jeugdige personen, die reeds het lager
onderwijs, volgens bovenstaande omschrijving, genoten hebben,
en zich wenschten voor te bereiden, het zij voor het hooge of
universiteitsonderwijs, het zij voor een' bijzonderen stand of be-
roep, of die ook blootelijk verlangen eene beschaafde opvoeding
te voltooijen.
Deze omschrijvingen zullen genoegzaam zijn, om de middel-
bare van de lagere scholen te onderscheiden. Ten aanzien van
scholen, waar te gelijk klassen voor lager en voor middelbaar
onderwijs gevonden worden, zal de regel behooren te gelden, dat
de personen, die over de klassen van het lager onderwijs ge-
steld zijn, de vereisc^ten van lagere onderwijzers behooren te
bezitten. Overigens zullen soortgelijke scholen van gemengden
aard, of tot de lagere of tot de middelbare gerekend worden,
naar mate van het hoofddoel of de hoofdstrekking derzelve.
,b). Geen kind, de kinderziekte niet gehad hebbende, en niet ge-
vaccineerd zijnde, kan op de scholen worden toegelaten; terwijl,
alvorens de toelating plaats grijpt, bij certificaat moet blijken,
dat aan de bestaande voorschriften op dit stuk is voldaan. Dit
verbod strekt zich ook uit tot alle klein-kinderscholen^ naai'
. cn breischoleUy speelschooltjes^ en in het algemeen tot alle ver-
eenigingen van kinderen, die de opvoeding of het onderwijs ten
dojl hebben.
Zie de kon. besluiten van 7 September 1814, n°. 6, (St.bl.
n°. 98) en van 18 4pril 1818, (St.bl, n°. 20) en de circu-
laire van den minister van binnenlandsche zaken van 31 Maart
1825, 48, waarop de in verschillende provinciën ingevoerde
bepalingen rusten. Onder deze ter bevordering der vaccine strek-
kende middelen heeft het gouvernement bepaald, dat al de on-
derwijzers en onderwijzeressen, reeds aanwezig of verder toe te
laten, aan de belofte zullen worden onderworpen, van geene
kinderen op hunne scholen te ontvangen, dan die voorzien zijn
van het bewijs, dat zij de koepokinenting ondergaan, of de na-
tuurlijke kinderziekte gehad hebben.
Art. 2.
De lagere scholen worden onderscheiden in dezulke,
die uit eenige publieke, het zij lands, departementale,
plaatselijke, geestelijke, kerkelijke of eenige andere open-
bare kas hoegenaamd, geheel of gedeeltelijk regtstreeks
onderhouden of ondersteund worden, of behooren tot een
gesticht, hetwelk op eenigerhande wijze uit eene publie-
te kas onderhoud m-Tastcn^ enderstawi erlangt, — en
Hedsrlandscb Schodki^siUÉ