Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
12
•WET VOOR HET LAGER SCHOOLWEZEN.
scholen, en van hen, die eenig inkomen van 's lands we-
ge genieten;
c). Wanneer ten aanzien der benoeming bij de betrokkene
ambtenaren of besturen verschil van gevoelen, bezwaren
of bedenkingen mogten ontstaan.
In alle andere gevallen zal de autorisatie verleend worden
door de gedeputeerde staten der provincie.
Het vergelijkend examen, algemeen gemaakt tijdens de fran-
sche overheersching, (zie de aankondiging van den inspecteur-
generaal van 28 Aug. 1812) werd op den gebruikelijken voet
gehandhaafd, bij art, 2 van het besluit van 20 Maart 1814,
n°. 2, (St.bl. n°. 39), (Zie ook bet kon. besl. van 2 Novem-
ber 1823, n°. 161) en de commissaris-generaal van biimenland-
sche zaken alleen bevoegd verklaard tot het verleenen der
autorisatie tot de aanstelling of toelating, en tot het uitreiken
der vereischte acten; doch werd bij art. 2 van het kon. besl.
van 27 Mei 1830, (St.bL n°. 9), de tusschenkomst afgeschaft
van het departement van binneniandsche zaken in al de gewo-
ne gevallen van benoeming van lagere onderwijzers, en wordt
die tusschenkomst slechts gevorderd voor zoo verre 's rijks la-
gere scholen betreft, en de onderwijzersposten, waaraan eenig
inkomen van lands wege is verbonden; en eindelijk, wanneer
er ten aanzien der benoeming, bij de betrokkene ambtenaren of
besturen verschil van gevoelen, bezwaren of bedenkingen mog-
ten ontstaan.
Het kon. besl. van 31 Augustus 1831, (St.bl. 26), be-
vestigde deze bepalingen door de verklaring, dat de bedoehng
van het kon. besluit van 27 Mei 1830 (St.bl. n°. 9) is geweest, om
de vergelijkende examens, bij het toelaten van onderwijzers
voor bijzondere scholen van de tweede klasse, in den regel bij te
behouden, en om de magtiging tot de toelating te doen ver-
leenen door den gouverneur der provincie, met vrijlating even-
wel aan laatstgenoemden ambtenaar om in omstandigheden,
waarin het houden van een vergelijkend examen niet doeltref-
fend cn alzoo aan bedenkingen onderhevig mogt geacht worden,
de stukken, volgens art. 2 van genoemd besluit, op te zenden
aan het departement van binneniandsche zaken, hetwelk alsdan
de magtiging tot toelating, ook zonder gehouden vergelijkend
examen, zal kunnen verleenen, gelijk ^zulks plag te geschie-
den.
Zie verder (in de aamerking onder art. 5, pag. 5, art. 1 van het
kon. besl. van 2 Januarij 1842, n°, 61, St.bl. n°. 1), waarbij
de bemoeijenissen, opgedragen aan de gouverneurs, worden over-
gedragen op de gedeputeerde staten der respectieve provinciën.
3. Bij eene circulaire van 27 Mei 1843, n°. 157, heeft de minis-