Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
8 •WET VOOR HET LAGER SCHOOLWEZEN.
dat er redenen bestaan, om in eene of meerdere provinciën,
zoodanige honoraire leden te benoemen, zal de benoeming door
ons geschieden.
Kon. besl. van 2 Januarij 1842, n°. 61, (St.bl. n° 1), art. 2.
c). De benoeming van schoolopzieners zal voortaan slechts geschie-
den voor een tijdvak van zes jaren; zullende de aftredende
schoolopzieners echter telken reize weder benoembaar zijn.
Kon. besl. van 2 Januarij 1842, n°. 61, (St.bl. nM),arl.3.
Art. 11.
De commissien van onderwijs, schoolopzieners en zoo-
danige plaatselijke schoolcommissien, als ingevolge nadere
bepalingen zullen worden gevestigd, zorgen, dat de wet-
ten en reglementen, algemeene en bijzondere, omtrent het
lager schoolwezen en onderwijs binnen hunne departe-
menten, districten, steden of plaatsen, worden nagekomen,
en onder geenerlei voorwendsel krachteloos gemaakt of
geëludeerd; in welk geval zij deswegens hunne klagten,
naar den aard der zaken, inleveren bij het plaatselijk, de-
partementaal of nationaal bestuur.
Art. 12.
Geene lagere school zal ergens, onder welken naam ook,
mogen bestaan of opgerigt worden, zonder uitdrukkelijke
vergunning van het respectief departementaal, landschaps-
of gemeente-bestuur, na vooraf gevraagde inlichting en
bedenkingen van den schoolopziener van het district of
de plaatselijke schoolcommissie.
1. Bij art. 2 van het besluit van 20 Maart 1814, n". 2, (St.bl.
n°. 39) was bepaald, dat de commissaris-generaal yan binnenland-
sche zaken telkens de autorisatie moest verlcenen tot de aan-
stelling of toelating der onderwijzers en de vereischte akte uit-
reiken, doch werd deze bepaling bij art. 1 van het kon. bosl.
van 27 Mei 1830, (St.bl. n°. 9), dus gewijzigd:
De autorisatie, bij de thans bestaande verordeningen vereischt
tot het oprigten van lagere scholen, zal voorlaan in het ge-