Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHAISGSEL. 137
Art. 13. Met dezelfde boete zal gestraft worden elk, die het over-
gelegd programma mogt overschrijden, of zich aan ééne der, in art.
9 vast gestelde, bepalingen onttrekken.
Bij verzwarende omstandigheden zal de overtreder in de uitoefe-
ning van zijn beroep kunnen worden geschorst, gedurende den tijd
van zes maanden.
Art. 14. Zij, die in hunne school beginsels mogten hebben ge-
leerd of doen Icprcn, strijdig met den afgelcgdcn eed, zullen worden
gestraft met eene boete van 50 tot 300 gulden, en zelfs, naar gelang
der verzwarende omstandigheden, onbevoegd kunnen worden verklaard
tot de uitoefening van hun beroep. Ook zal de sluiting der school
kunnen worden bevolen gedurende den tijd van drie maanden tot
twee jaren; alles onverminderd de straffen, welke bij het strafwet-
boek zijn bepaald.
Art. 15. De bestrafling der misdrijven, in de vorige artikelen
voorzien, behoort aan de gewone regtbanken.
Art. 16. De tegenwoordige wet zal door ons worden ten uitvoer
gelegd, uiterlijk binnen één jaar na dc aanneming.
KON. BOODSCHAP van 27 Mei 1830, waarbij het boven-
staande ontwerp van wet op het onderwijs door Zijne
Majesteit wordt ingetrokken.
Mijn lieer de President I
Ingevolge de aankondiging, reeds bij het openen der tegenwoor-
dige zitting van de staten-gencraal gedaan, heeft dc koning eene
wet op het onderwijs aan de beraadslagingen van de tweede kamer
onderworpen, ten einde, door gemeen overleg, meerdere vastheid te
geven aan de milde beginselen naar welke, met opzigt tot dat ge-
wigtig onderwerp moet gehandeld worden; terwijl de denkbeelden,
die ten grondslage van de bepalingen van dat ontwerp hebben gestrekt,
bij de kon. boodschap van den 26 November 1839 zijn uiteen gezet;
en zijne majesteit voorts aan ïl. E. M., bij de boodschap van den 11
December daaraanvolgende. Hoogstdeszelfs verlangen heeft betuigd,
om door de beraadslagingen der kamer te zien toegelicht, of bij de
voordragt, het doel van zijner majesteits pogingen, de vereeniging
namelijk der betamelijke wenschen van alle ingezetenen, was getrof-
fen.
Dan vermits de beraadslagingen der afdeelingcn van de tweede ka-
mer over dat onderwerp, den koning hebben doen ontwaren, dat H.
E. M. in het algemeen van gevoelen zijn, dat het raadzamer en voor-
deeliger zoude wezen, voor het tegenwoordige niet over te gaan tot
het daarstellen van wetsbepalingen over het onderwijs, zoo heeft zijne
majesteit goed gevonden zich met dat gevoelen te vereenigen, en de
gemelde voordragt in te trekken, waarvan ik de eer heb, op konings