Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL.
den als volgt: die van het voorjaar, liet zij in de paaschweek, het
zij in de week, daarop volgende; die van den zomer, tusschen den
15 Junij en 15 Augustus; en die van het najaar, het zij in dc eer-
ste, of in de tweede volle weck van Octoher.
Onze minister van binnenlandsche zaken is belast met de uitvoe-
ring van dit besluit, waarvan afschrift zal worden gezonden aan den
raad van state, cn hetwelk in het staatsblad zal worden geplaatst.
0. ONTWERP VAN WET op het onderwijs, door
Z. M. den Koning voorgedragen aan de
Staten-Generaai op den 26 November 1829,
en ingetrokken op den 27 Mei 1830.
Edel Mogende Heer en!
Bij het openen uwer tegenwoordige zitting, hebben Wij aan U.
E. M. ons voornemen te kennen gegeven, om eene wet op het open-
baar onderwijs aan de beraadslagingen van U. E. M. te onderwer-
pen, ten einde door gemeen overleg meerdere vastheid te geven
aan de milde beginselen, naar welke, met opzigt tot dat gewigtig
onderwerp, moet gehandeld worden. AVij voldoen aan die kennis-
geving door het ontwerp van wet, hetwelk hiernevens aan U. E.
M. wordt aangeboden.
De zamenst' Hing van hetzelve was met vele en groote moeijelijk-
heden vergezeld. Daarbij toeh moest altijd in hel oog worden ge-
houden de verpligting van elke regering, bovendien in de neder-
landsche grondwet uitdrukkelijk bepaald^ om voor het openbaar on-
derwijs bij aanhoudendheid te zorgen, de noodzakelijkheid om ge-
noegzame waarborgen tegen het, in deze vooral zoo gevaarvolle
misbruik eener betamelijke vrijheid te bezitten, en onze opregle
begeerte om voor zoo verre zulks met onze pligten overeenkomstig
is, aan geuite wenschen voldoening en aan de bestaande meenin-
gen geenen aanstoot te geven.
De overweging van dit alles zou onoverkomelijke zwarigheden
opgeleverd hebben, indien men niet al de deelen van het ontwerp
aan eene hoofdgedachte ondergeschikt en een hoofdbeginsel, dat van
vrije uitoefening, overal len grondslage had gelegd. Evenwel heeft
dit beginsel in zoo verre beperkt moeten worden, als dc welvaart en
zekerheid van den staat dit vereischen, en wordt daarbij aan ons
overgelaten, om, ter voldoening van hetgene ons opgelegd is, in het
geheele rijk een openbaar onderwijs te behouden, evenredig aan de
vcpstandclijkc en zedelijke behoeften der natie, en hetwelk evenmin
van de wisselvalligheid der bijzondere inrigtingen afhankelijk is, als
het deszelfs oprigting en meest mogelijke ontwikkeling belet.