Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL. 129
ten aanzien zijner scholen, aanbevolen, als dit ten aanzien van plaat-
sen, waar geene plaatselijke schoolcommissie aanwezig is, aan den
schoolopziener persoonlijk is toevertrouwd, in dier voege, dat al het-
gene in dc art. 35 tot en met 42 der voorloopige instructie voor
dc dislricts-schoolopzieners en commissien van onderwijs, vastgesteld
krachtens kon. besl. van 16 Maart 1821, n°. 87, ten aanzien der school-
opzieners gezegd is, onder dc noodige veranderingen, geldt van dc
leden der plaatselijke schoolcommissien.
§ f. Ten einde de schoolopzieners in staat zijn, hun jaarlijksch
verslag, bedoeld bij art. 67 der even gemelde voorloopige instructie,
ten volledigste op te maken, zullen de plaatselijke sc loolcommissien
(uit de daartoe door ieder lid, voor zoo veel zijne wijk betreft, te
leveren opgaven), ten aanzien van dc scholen en het onderwijs, onder
haar toezigt staande, jaarlijks, uiterlijk voor het einde der maand Fe-
bruarij, vervaardigen dergelijke schriftelijke opgaven, als van de school-
opzieners, volgens art. 66 der meergemelde instructie, gevorderd wordt,
bevattende voorts alles, wat tot het lager schoolwezen en onderwijs
binnen hare stad of gemeente verder mogt betrekking hebben, om
dezelve binnen deze maand ter tafel harer vergadering te brengen
en vervolgens te stellen in handen van den schoolopziener, ten fine
voornoemd.
6. Bij uitbreiding, in zoo verre, van art. 1 van het kon. besl. van
27 Mei 1830 (st.bl. n° 9), zal, wanneer iemand zich, het zij aan een
stedelijk, het zij aan een gemeentebestuur, mogt hebben geadresseerd,
ter verkrijging van vergunning tot oprigting eener lagere school, en
zulks niet mogt zijn ingewilligd, de adressant zich kunnen wenden
tot de gedeputeerde stalen, welke alsdan, na het betrokken bestuur
te hebben gehoord, naar bevind van zake, de weigering zal kunnen
handhaven, of wel de oprigting der school zal kunnen inwilligen.
7. Bij het vervullen van schoolonderwijzersplaatsen in steden en
gemeenten, waar slechts ééne lagere school bestaat, zal, na gehou-
den vergelijkend examen, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid en ver-
dere geschiktheid der kandidaten, billijk acht worden geslagen op
derzelver godsdienstige gezindte en op die van de meerderheid der
ingezetenen.
In zoodanige steden en gemeenten, waar meerdere lagere scholen
zijn, zal mede, in geval van ontstane vacature, zoo veel mogelijk wor-
den gezorgd, dat, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid en verdere ge-
schiktheid der kandidaten, de billijke verhouding tusschen het getal
schoolonderwijzers en schoolonderwijzeressen der verschillende gods-
dienstige gezindten en de onderlinge verhouding der bevolking te
dien opzigte worden behouden of hersteld.
8. Dc bijzondere scholen, welke behooren tot eenig gesticht van
weldadigheid, zullen, behalve door kinderen, lot zoodanig gesticht be-
hoorende, ook kunnen bezocht worden duor kinderen, wier ouders
mede door het bestuur van het gesticht worden geahmenteerd.
9. Dc schoolonderwijzers bij de openbare lagere scholen en bij
6*