Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
120 AAHHAINGSEL.
vinciale commissien van onderwijs te benoemen honoraire leden, welke
aan de algemeene vergaderingen dier commissien deel znllen nemen,
over de aldaar voorkomende zaken mede zullen raadplegen, eene
concluderende stem zullen hebben, en, ofschoon niet tredende in de
gewone functien der schoolopzieners, zoo als dezelve aan dezen bij
hunne instructie zijn voorgeschreven, echter het regt zullen bezitten
om al de lagere scholen in de provincie te bezoeken en omtrent die
scholen in de vergaderingen voorstellen te doen.
AVanneer ons, uit een daaromtrent door onzen minister van bin-
neniandsche zaken uit te brengen rapport, zal zijn gebleken, dat er
redenen bestaan, om, in eene of meerdere provinciën, zoodanige ho-
noraire leden te benoemen, zal de benoeming door ons geschieden.
3. De benoeming van schoolopzieners zal voortaan slechts geschie-
den voor een tijdvak van zes jaren; zullende de aftredende schoolop-
zieners echter telken reize weder benoembaar zijn.
4. Bij wijziging in zoo verre, van art. 9 van het reglement A, be-
hoorende bij de wet van 3 April 1806, zal de schoolopziener van elk
district niet slechts bevoegd, maar ook verpligt wezen, om, overigens
op den voet van gemeld art. 9, in iedere bij hetzelve bedoelde klei-
nere stad of gemeente van zijn district een plaatselijk toevoorzigt
daar te stellen, bestaande uit eenige leden, te kiezen, zoo veel mo-
gelijk, met inachtneming van de godsdienstige verhouding der be-
volking van de betrokkene kleine stad of gemeente.
5. Naar gelang er vacatures zullen ontstaan in de plaatselijke
schoolcommissien, vermeld in art. 10 van het reglement A, behoo-
rende bij de wet van 3 April 1806, zal de vervulling mede moeten
geschieden, zoo veel mogelijk, met inachtneming der godsdienstige
verhouding van de bevolking der betrokkene stad.
Bij uitbreiding van gemeld art. 10, zal ook, zonder inachtneming
van het getal 'of van de soort der reeds beslaande scholen in iedere
stad of gemeente, waarvan de bevolking 8000 zielen of daarboven
bedraagt, eene plaatselijke schoolcommissie kunnen worden daarge-
steld, op den voet in gemeld art. omschreven
6. Bij uitbreiding, in zoo verre, van art. 1 van het kon. besl. van
27 Mei 1830 (st. b . n°. 9), zal, wanneer iemand zich, het zij aan
een stedelijk-, het zij aan een gemecntebesttmr mogt hebben ge-
adresseerd ter verkrijging van vergunning lot oprigting eener lagere
school, en dat verzoek niet mogt zijn ingewilligd, de adressant zich
kunnen wenden tot de gedeputeerde staten der provincie, welke als-
dan, na het betrokken bestuur Ie hebben gehoord, naar bevind van
zake, de weigering zullen kunnen handhaven, of wel de oprigting
der school zullen kunnen inwilligen.
7. Bij het vervullen van schoolonderwijzersplaatsen in steden en
gemeenten, waar slechts ééne lagere school beslaat, zal na gehouden
vergelijkend examen, bij nagenoeg gelijke bekwaamheid en verdere
geschiktheid der kandidaten, billijk acht worden geslagen op derzel-
ver godsdienstige gezindte en op die van de meerderheid der ingeze-
tenen.