Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHANGSEL, 119
tegen iedere krenking der verschillende gevoelens, waarvan de vrij-
heid bij de grondwet is verzekerd;
Gezien de rapporten van onzen directeur-generaal voor de zaken
der roomsch-katholijke eeredienst, van 1 Augustus 1840, n°. 2/d,
200, en van onzen minister van binneniandsche zaken, van 20 No-
vember 1840, n°. 530;
In overweging genomen hebbende het rapport van 19 Januarij 1841,
aan ons uilgebragt door dc bij ons besluit van 12 November 1840.
n®. 15, benoemde commissie tot onderzoek van de voormelde bezwa-
ren, als mede de daarbij aan ons gedane voorstellen;
Gelet op de nadere rapporten van onzen minister van hinnen-
landsche zaken, van 16 Maart en 13 Augustus 1841, n°. 157 cn litt.
A/B, als mede 'dat van 30 December 1841, n°. 617;
AVillende gelijktijdig het misbruik te keer gaan, hetwelk ons is
gebleken, in meer dan een geval, met betrekking tot het huisonder-
wijs te zijn ontstaan uit eene onjuiste opvatting van art. 4 van het
reglement litt. A, behoorende bij dc wet van 3 April 1806;
Gezien dc daaromtrent door onzen minister van binneniandsche
zaken uitgebragle rapporten, van 17 November 1838, n°. 143, en 28
Mei 1839, n^ 153;
Den raad van state gehoord,
Hebben besloten cn besluiten:
1. De bemoeijenissen bij kon. besJ. van 13 Maart 1821, n°. 85,
en bij art. 2 van het kon. besl. van 27 Mei 1830 (st. bl. n°. 9),
opgedragen aan de gouverneurs, worden overgedragen op de gedepu-
teerde staten der respectieve provinciën, met dien verstande echter,
dat het aan gedeputeerde staten (ook in verband rnet het bepaalde
bij art. 5 der wet van 3 April 1806) zal vrijstaan, een lid uit hun
midden te benoemen, ter waarneming van het voorzitterschap der
provinciale commisien van onderwijs.
2. ïot handhaving der gelijkheid van allen voor de wet, en ter
voorkoming, dat niet aan het lager onderwijs eenige uitsluitende of
eenzijdige rigting worde gegeven, zal voortaan, bij het doen van voor-
draglen ter verviilling der openvallende schoolopziencrsplaatsen, over-
eenkomstig art. 10 der wet voor het lager schoolwezen cn onderwijs
van 3 April 1806, in het oog moeten worden gehouden, dat de za-
menstelling der provinciale commissien van onderwijs, wat aangaat
de verschillende godsdienstige gezindten van hare leden, zoo veel
mogelijk, in evenredigheid kome met de onderlinge godsdienstige ver-
houding van dc bevolking in iedere provincie.
Onze minister van hinnenlandsche zaken zal onverwijld onderzoe-
ken, in hoe verre er, het zij behoefte, het zij aanleiding besta, om
door splitsing der schooldistricten de daarstelling dier evenredigheid
te bespoedigen; hij zal ons vervolgens deswege verslag doen, en zoo-
Idanige maatregelen voorstellen, als waartoe dat onderzoek aanleiding
zal hebben gegeven.
ATij behouden ons voor, in afwachting, dat de bedoelde evenredig-
heid zal zijn daargesteld, ter tijdelijke tegemoetkoming, bij de pro-