Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHAISGSEL. 109
des besluits ten volle op te helderen, en om verkeerde uitleggingen
te voorkomen, welke trouwens door den tekst zelve dezer artikelen
worden bestreden.
Ik zal thans overgaan tot toelichting der afzonderlijke artikelen.
Art. 1. Dit artikel zet een algemeen beginsel vooruit, maar houdt
tevens in twee te onderscheiden bepalingen.
De eerste paragraaf ziet alleen op het lager onderwijs; dezelve is
toepasselijk op alle scholen zonder onderscheid, welke voor dien tak
van onderwijs bestemd zijn.
De tweede paragraaf, die het middelbaar en hooger onderwijs be-
treft, is alleen van toepassing op de scholen, welke op geenerlei wijze
door het openbaar bestuur zijn opgerigt of worden ondersteund. Niets
is dus veranderd, met betrekking tot de wijze van daarstelling der
inrigtingen van dezen aard, welke geheel of gedeeltelijk ten laste
zijn van de provinciën, de gemeenten of andere openbare besturen.
Al de scholen, tot welke dit artikel betrekkelijk is, zullen voortaan
zonder tusschenkomst van het departement van binneniandsche za-
ken kunnen opgerigt worden. In de steden zal dc vergunning, ge-
geven door het plaatselijk bestuur, volstaan. In de landelijke ge-
meenten zal die vergunning daarenboven de goedkeuring van UËd.
Gr. Aclitb. bclioeveii.
Het is van belang hier op te merken, dat, overeenkomstig de be-
staande wetten cn reglementen, de vrijheid, om eene school te ope-
nen of eene instelling van onderwijs op te rigten, verschillend is van
die, om onderwijs te geven; het is alleen van de eerste, waarvan
gesproken wordt in het onderhavige artikel.
Wat de anderen aangaat, deze is het onderwerp van art. 2, ten aan-
zien van het lager onderwijs, en van art. 8, ten aanzien der hoogere
graden van onderwijs.
De goede uitslag der maatregelen, die het onderwerp zijn van de
tegenwoordige mededeeling zal grootcndeels afliangen van de te ge-
lijk voorzigtige en milde vvijze, waarop dc gewestelijke en plaatselijke
autoriteiten zich zullen kwijten van de verpligtingen, welke het 1® ar-
tikel Iiun oplegt. Die autoriteiten zijn door derzelver betrekking in
staat, de wenschen en behoeften te beoordeelen der bevolking, aan
hun bestuur toevertrouwd, en zij zullen alle gegronde bezwaren voor-
komen, die tot den koning zouden kunnen geraken, wanneer zij zich
slechts doordringen van de welwillende en verhevene inzigten van Hoogst-
denzelven.
2. Bij het 2^ artikel wordt de tusschenkomst afgeschaft van het
departement van binneniandsche zaken in al de gewone gevallen van
benoeming van lagere onderwijzers. Doch de bedoeling is, dat dc
personen, die zich aanmelden, om in lagere scholen onderwijs te ge-
ven, al die hoedanigheden zullen bezitten cn de vereischten vervul-
len, welke bij de bestaande reglementen worden gevorderd, en dat
omtrent derzelver aanstelling of admissie worde gehandeld op de wijze,
welke is voorgeschreven. Alleenlijk zullen de heeren gouverneurs