Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
108 AAHHAINGSEL.
G, GIBGULAIRE van het departement van bin-
nenlandsche zaken aan de gewestelijke be-
sturen, van den 5 Julij 1830, houdende in-
lichtingen omtrent het koninklijk besluit
van den 27 Mei 1830 (st. bl. n°. 9).
Ik heb reeds de eer gehad, bij schrijven van den 8 Junij 11., n°.
131, voorloopig de aandacht van UEd. Gr. Achtb. te vestigen op 'sko-
nings besluit van den 27 Mei 11., n°. 117.
Mijn tegenwoordige rondgaande brief heeft ten oogmerk, om de
artikelen van dat belangrijk besluit nader toe te lichten, ten einde
de geest en strekking van hetzelve wel worden gekend, en ten einde
de uitvoering overal op eenen eenparigen voet plaats hebbe.
Zoowel de beweegredenen, als de bedoelingen van dit besluit, zijn
duidelijk op te maken uit deszelfs aanhef; vooral wanneer men het-
zelve beschouwt in verband met de missive van Zijne Excellentie den
beer secretaris van staat, van den 27 Mei II., waarbij den president
van de tweede kamer der staten-generaal is te kennen gegeven, dat
zijne majesteit had goedgevonden het ontwerp van wet op het on-
derwijs in te trekken, dc gemoederen te vereenigen door bevredigende
verordeningen, tot alle provinciën de werking uit te strekken der
vrije beginselen, in sommige opzigten, voor een gedeelte des koning-
rijks gevolgd, in het algemeen de beperkende maatregelen te ver-
zachten, zonder de zaak van het onderwijs, welke tevens die is der
beschaving, in de waagschaal te stellen, vooral ook, zonder aan het
lot over te laten het bestaan der inrigtingen van lager onderwijs, die
over het algemeen aan het volk zoo veel voordeel aanbrengen; en
eindelijk de ontwikkeling van deze nuttige instellingen met eene bij-
zondere zorg aan te moedigen: ziedaar de inzigten, met welke het
besluit van den 27 Mei genomen werd.
De groote verscheidenheid van meeningen, welke zich op dit stuk
in den boezem der staten-generaal heeft geopenbaard; dc wensch,
door vele leden geuit, dat men zich voor het tegenwoordige bepalen
mogt tot de intrekking der besluiten van 1825, en de zuidelijke pro-
vinciën liet deelen in de meer vrije verordeningen van het noorde-
lijk reglement, moeten UEd. Gr. Achtb. hebben doen gevoelen, dat
de regeling het doel niet gehad heeft, om, door algemeene maatre-
gelen van openbaar bestuur, een nieuw en volledig stelsel in te voe-
ren, gelijk men moeite gevonden had, in de tegenwoordige omstan-
digheden, er een door eene wet daar te stellen, maar dat de koning
zich integendeel heeft gehouden bij de intrekking of wijziging der
bestaande verordeningen, en dat deze van kracht blijven, voor zoo
verre dezelve niet uitdrukkelijk mogten zijn veranderd.
Deze eenvoudige opmerking, welke vooral van toepassing is op het
lager onderwijs, zal voldoende zijn, om het meerendeel der artikelen