Boekgegevens
Titel: Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Auteur: Hinloopen Labberton, Dirk van
Uitgave: Gouda: G.B. van Goor, 1848
3e verm. dr; 1e dr.: 1840
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 673 E 25
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206351
Onderwerp: Recht: bestuursrecht: overige
Trefwoord: Lager onderwijs, Overijssel, Regels (vorm), Besluiten (vorm), Wetteksten (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot de kennis van de bestaande bepalingen op het lager schoolwezen
Vorige scan Volgende scanScanned page
AANHAISGSEL. 107
in de onderwerpen van het middelbaar of hooger onderwijs, aan an-
deren onderrlgt te geven; vreemdelingen hebben daartoe onze spe-
ciale vergunning nooclig,
9. Een ieder, die de noodige kundigheden zal hebben opgedaan,
zonder onderscheid waar of hoe hij die verkregen zal hebben, zal
toegelaten worden tot het afleggen der examens en het verkrijgen der
getuigschriften of graden, welke lot het waarnemen van sommige amb-
ten of beroepen vereischt worden.
Onze minister van binnenlandsche zaken zal ons, zoodra mogelijk,
de noodige voordragt aanbieden, tot het bepalen der wijze, waarop
de hier boven bedoelde examens zullen worden afgenomen.
10. Alle instellingen van onderwijs, zonder uitzondering, zullen
aan het toezigt der openbare autoriteiten onderworpen, en dien vol-
gens steeds toegankelijk moeten zijn voor dc personen, die, van wege
het plaatselijk, provinciaal of algemeen bestuur, bevoegd zijn om den
staat derzelve op te nemen.
De onderwijzers, cn allen die in dezelve instellingen eenig toezigt
of beheer hebben, zijn gehouden om aan de bovengemelde personen,
alle inlichtingen te geven, zoo mondeling als schriftelijk, welke de-
zelve vorderen.
11. Tot het geven van onderwijs zijn onbevoegd allen, tegen welke
een vonnis, hebbende kracht van gewijsde, is uitgesproken, houdende
vcroordeeling tot eene lijf- of ontecrendc straf, of tot eene correcti-
oneele straf, wegens eene daad, strijdig met de zeden, of waardoor
de algemeene achtinfy en vertrouwen verloren gaan.
In geval van twijtel of geschil over dc toepassing van dat beginsel,
zal deswege door gedeputeerde staten worden beslist.
12. Door de vorenstaande verordeningen wordt geene verandering
toegebragt aan dc bestaande bijzondere bepalingen, ten aanzien van
instellingen hoofdzakelijk bestemd om jongelingen tot dea geestelij-
ken stand op te leiden.
13. Dc besluiten van 14 Junij en 14 Augustus 1825 (st. bl. n°.
55 cn 64) worden, als door de bovenstaande en vroegere bepalingen
vervangen en vervallen, bij deze ingetrokken.
Onze minister van binnenlandsche zaken is belast met dc uitvoe-
ring van dit besluit, hetwelk in het staatsblad zal worden geplaatst.