Boekgegevens
Titel: Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Auteur: Beijer, Johan Coenraad
Uitgave: Rotterdam: Mensing en Van Westreenen, 1827
3e dr; 1e uitg.: 1820
Auteursrechten: Zie auteursrechten
Citeerinstructie: Bijzondere Collecties van de Universiteit van Amsterdam, UBM: 1145 D 16
URL: https://schoolmuseum.uba.uva.nl/bookid/LCSM_206325
Onderwerp: Taal- en letterkunde naar afzonderlijke talen: Nederlandse taalkunde
Trefwoord: Stelvaardigheid, Nederlands, Gidsen (vorm)
Bekijk als:      
Scan: Afbeeldinggrootte:
   Handleiding tot den Nederlandschen stijl, of Volledige aanwijzing ter vervaardiging van schriftelijke opstellen: voor Nederlanders, zoo in het algemeen als in beroepsbetrekkingen en gegrond op de redeneerkunde
Vorige scan Volgende scanScanned page
6f5 HANDLEIDING tot den
c.) Men make elke gelegenheid, welke
zich tot bevordering van duidelijker kennis aan-
biedt, ten nutte.
Men fchrijve dagelijks, zoo veel mo-
gelijk, zijne waarnemingen op, en onder-
zoeke, of men aan duidelijke en juiste inzigten
toegenomen hebbe.
§ 163. Men bevordere het zelfdenken bij
het gebruik van het verftand. Hiertoe dient:
ö.) Dat men zich gewenne zelf te onderzoeken,
wat en hoe iets zij. Om te begrijpen moet men
eerst vergelijken, dat is, de overeenkomst
van voorftellingen opfporen; onderfcheiden,
dat is, het verfchil van dezelve ontdekken ; men
moet het wezenlijke van het toevallige
onderfcheiden- Uit het niet behoorlijk onderfchei-
den vloeit bij vele menfchen wijdloopigheid in
hunne verhalen voort. Het vermogen, om ook
het kleinfte verfchil aan de voorwerpen te ontdek-
ken, heet fcherpzinnigheid, en dat, om de
meest verborgene overeenkomst fpoedig op te
fporen, fchranderheid. Beide vereenigd noemt
men vernuft, hetwelk ontftaat uit de verbinding
des verftands met de verbeeldingskracht.
Nog gewigtiger is het, van alle dingen oor-
zaak, werking en grond op te fporen, bijgevolg
niet ligtgeloovig te zijn. Oorzaak is dat,
waardoor iets voortgebragt wordt; grond
dat, waarom iets is of gefchiedt; werking